Payrollwerknemer gelijk aan uitzendkracht?

De Hoge Raad heeft in een arrest de definitie van een uitzendovereenkomst verduidelijkt. Hieruit blijkt dat op payrollwerknemers de regels voor uitzendkrachten van toepassing kunnen zijn.

10 november 2016 | Door redactie

In de zaak stond centraal of C4C Human Resources verplicht onder bedrijfstakpensioenfonds StiPP moest vallen. StiPP is het pensioenfonds voor de uitzendbranche. Werknemers vallen onder dit pensioenfonds als zij werkzaam zijn op basis van een uitzendovereenkomst voor een uitzendorganisatie (die voor minimaal 50% van het premieloon uitzendkrachten ter beschikking stelt). De uitzendovereenkomst is gedefinieerd in artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Allocatiefunctie is geen vereiste

Volgens C4C was aansluiting bij StiPP niet verplicht, onder meer omdat er geen allocatiefunctie – het werven van personeel voor de opdrachtgever – werd vervuld. De kantonrechter volgde die visie, maar het hof niet. Uit artikel 7:690 blijkt niet dat organisaties een allocatieve functie moeten uitvoeren om uitzendwerkgever te zijn. De HR sloot zich hierbij aan, met als gevolg dat payrollwerknemers en gedetacheerden wettelijk gezien uitzendkrachten kunnen zijn.

Payrollwerknemers langer tijdelijk in dienst

Hoewel het oordeel van de HR is uitgesproken om duidelijkheid te geven over de verplichte aansluiting bij StiPP, erkent de HR dat het arrest meer gevolgen heeft. Zo’n gevolg kan zijn dat een payrollbedrijf verplicht de ABU-cao (tool)waarvoor een avv geldt – moet volgen en payrollwerknemers dus langer tijdelijk in dienst kunnen blijven (uitzendkrachten hebben pas na 5,5 jaar recht op een vast contract). Ook kunnen payrollbedrijven opdrachten beëindigen op basis van het uitzendbeding. Anderzijds zullen ook zaken als de inlenersbeloning gelden en zal payrolling duurder worden. Maar goedkoper dan uitzendkrachten en minder risicovol dan werknemers blijven de payrollwerknemers voorlopig wel.

Regels voor payrollers voorlopig niet gewijzigd

In de praktijk vallen payrollers vaak al onder een uitzend-cao. De HR geeft aan dat als de wetgever de ruimere uitleg van de uitzendovereenkomst onwenselijk vindt, het aan hem is om de wet te wijzigen. Verder stelt de HR dat rechters onder omstandigheden de toepassing van de uitzend-cao bij payrolling als onaanvaardbaar kunnen bestempelen. De Volkskrant meldt dat minister Asscher van SZW deze regeerperiode geen wijzigingen meer zal aanbrengen in de regels voor payrollers.
Hoge Raad, 4 november 2016, ECLI (verkort): 2356