Werknemers gaan weer meebetalen aan de WW

In het sociaal akkoord staan weer nieuwe maatregelen om de Werkloosheidswet te hervormen. Zo wordt de WW-uitkering die vanuit de overheid wordt geregeld ingekort met 14 maanden en gaan werknemers weer meebetalen aan de WW.

24 april 2013 | Door redactie

In het bericht ‘Ontslagroute wordt straks bepaald door reden’ kon u al lezen dat in het sociaal akkoord meer staat over de hervormingen van het ontslagrecht. Ook over de aanpassingen van de Werkloosheidswet (WW) is meer bekendgemaakt.

In cao's kan een langere WW-duur worden afgesproken

Afbouw maximale WW-duurEén van de aanpassingen van de WW is dat de overheid in de toekomst nog maar 24 maanden WW uitkeert, in plaats van de huidige 38 maanden. De afbouw zal geleidelijk plaatsvinden; vanaf 1 januari 2016 met één maand per kwartaal. In de loop van 2019 is de algemene WW-duur dan 24 maanden. Daarnaast kunnen werkgevers- en werknemersorganisaties in cao's afspreken dat zij de WW-uitkering met maximaal 14 maanden verlengen, zodat werknemers toch nog 38 maanden WW kunnen krijgen. Dit gedeelte moeten de werkgevers en werknemers dan wel zelf financieren.
Het publiek gefinancierde deel van de WW wordt nu geheel door werkgevers betaald. Dit Algemeen werkloosheidsfonds (WW-Awf) kende tot en met vorig jaar formeel ook een werknemersdeel, maar dat was al jaren op 0% gesteld. Met de invoering van de Wet uniformering loonbegrip is het werknemersdeel eindelijk officieel geschrapt. Mogelijk komt het dus weer terug op tafel. Als de plannen doorgaan, betalen werknemers straks 50% van het publiek gefinancierde deel van de WW.

Werkloze moet al na zes maanden passende arbeid accepteren

De hoogte van de WW-uitkering blijft loongerelateerd en gebaseerd op het laatstverdiende loon. Om de uitstroom uit de WW te vergroten, wordt de definitie van passende arbeid aangescherpt. Vanaf 2016 wordt na zes maanden alle arbeid als passend aangemerkt. Nu hoeven werklozen pas na 12 maanden werk onder hun niveau te accepteren.
Ook de opbouw van de WW verandert: die wordt in de eerste tien jaren één maand per gewerkt jaar en daarna een halve maand per gewerkt jaar. Elk gewerkt jaar vóór 1 januari 2016 geeft recht op één maand opbouw. Nu wordt de opbouw nog berekend aan de hand van het fictief en feitelijk arbeidsverleden.