Huuropbrengst Airbnb-tuinhuis toch inkomen uit woning

Huiseigenaren die hun huis tijdelijk verhuren betalen daarover belasting in box 1 van de inkomstenbelasting. Dit geldt ook als niet het hele huis is verhuurd, maar bijvoorbeeld alleen een tuinhuis. Dat heeft de Hoge Raad geoordeeld. De rechtbank en het gerechtshof dachten hier eerder anders over.

22 september 2020 | Door redactie

Nederlanders die hun eigen woning tijdelijk verhuren moeten 70% van de huuropbrengsten opgeven in box 1, het ‘inkomen uit werk en woning’. In de zaak waar de Hoge Raad zich over boog ging het echter niet om de verhuur van de hele woning, maar alleen een zogenoemde ‘aanhorigheid’. In dit geval het tuinhuisje van de huiseigenaren.

Inkomsten uit verhuur belast in box 1?

In 2015 was dit tuinhuisje 21 dagen verhuurd via internetplatform Airbnb. Het leverde het echtpaar € 3.564 aan huur op, maar zij gaven de opbrengst niet op in de aangifte inkomstenbelasting. Daarop kwam de inspecteur met een navorderingsaanslag van 70% van die huuropbrengst, namelijk € 2.494.
Het echtpaar stapte daarop naar de rechter, en kreeg bij de rechtbank en bij het gerechtshof gelijk. Daarbij draaide het vooral om de vraag of deze ‘aanhorigheid’ fiscaal gezien bij de eigen woning gerekend moest worden, en daarmee belast zou zijn in box 1. Volgens het hof was dat niet het geval. Door de tijdelijke verhuur stond het tuinhuis ‘slechts tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking’ aan het echtpaar. Het moest daarom niet tot de eigen woning gerekend worden. Volgens het hof vielen deze inkomsten in box 3, het inkomen uit sparen en beleggen. De navorderingsaanslag ging ook van tafel.

Navordering terecht, vindt Hoge Raad

De Hoge Raad zat echter op een heel andere lijn. Volgens de wet hoort een aanhorigheid als het tuinhuis wel degelijk bij de eigen woning. En de Hoge Raad leidde uit de wet ook af dat tijdelijke verhuur dat niet anders maakt. De huurinkomsten vielen dus inderdaad in box 1, aldus de Hoge Raad, en de inspecteur had terecht een navorderingsaanslag opgelegd.
Hoge Raad, 18 september 2020, ECLI (verkort): 1448