VERDIEPINGSARTIKEL

Artikel 1 WOR: Onderneming, ondernemer, uw bestuurder en werkzame personen

Zoals voor de meeste wetten geldt, gaat ook artikel 1 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) over de begrippen die in deze wet een belangrijke rol spelen en die hier en daar afwijken van het spraakgebruik of de definities van andere wetten. De belangrijkste begrippen voor de WOR komen hier aan bod. Deze zijn van groot belang voor een goed begrip van de wettelijke regels en de toepassing ervan in uw dagelijkse praktijk.


9 januari 2019 4 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


Uw OR is ingesteld voor een onderneming. In principe is alles wat in die onderneming speelt een onderwerp waar uw ondernemingsraad zich mee bezig kan houden. Het is dus zaak om een scherp beeld te hebben van voor welke onderneming uw OR is ingesteld. U kunt dat opzoeken in artikel 1 van uw OR-reglement. Er is een veelvoorkomend en hardnekkig misverstand dat de rechtspersoon de onderneming is, zoals een nv, bv of stichting. Dat is in de WOR niet het geval.

Wat behandelt artikel 1 WOR?

Artikel 1 WOR geeft de definitie van de begrippen die in de wet een belangrijke rol spelen. Om misverstanden te voorkomen is het van belang om deze begrippen goed te begrijpen (zie ook het kader hieronder). Naast de begrippen onderneming, ondernemer, bestuurder en ‘in de onderneming werkzaam’, komen in artikel 1 ook de volgende begrippen aan bod:

  • Onze Minister: de minister van SZW;
  • Raad: de Sociaal-Economische Raad;
  • Bedrijfscommissie: de commissie die op verzoek van partijen bemiddelt in conflicten over de toepassing van de WOR en in conflicten rond het instemmingsrecht.
De WOR geeft echter geen omschrijving van het begrip ondernemingsraad. Op grond van de WOR mag u een OR omschrijven als: een door en uit de werknemers gekozen vertegenwoordiging die namens hen overlegt met de bestuurder over alle zaken die de onderneming betreffen.

Voor de WOR is een onderneming een arbeidsorganisatie waarin werknemers tegen betaling samenwerken onder gemeenschappelijke leiding en op basis van een arbeidscontract of – in het geval van ambtenaren – aanstelling. Ook moet de onderneming in de maatschappij als een zelfstandige eenheid optreden. Juridische zelfstandigheid in een afzonderlijke rechtsvorm is daarvoor beslist niet vereist.
Aan dat zelfstandigheidscriterium wordt overigens niet zo veel gewicht toegekend. Zo zijn er voorbeelden bekend van ondernemingen die weliswaar intern een grote zelfstandigheid hebben, maar zich niet als zodanig aan de buitenwereld presenteren. Denk aan een groot filiaal van een winkelbedrijf dat de naam voert van een landelijke keten maar in werkelijkheid een franchise is.

Wie is de ondernemer?

Als de onderneming de organisatie is, wie is dan de ondernemer? Dat is volgens artikel 1 WOR degene die de onderneming in stand houdt. Soms is dat een natuurlijk persoon (makelaar Terhuizen bijvoorbeeld), maar bij een OR doorgaans een rechtspersoon (vennootschap, stichting of vereniging). Er geldt immers een instellingsgrens van 50 werknemers en een organisatie met zoveel werknemers heeft bijna altijd rechtspersoonlijkheid.

De rechtspersoon is dus niet de onderneming maar de ondernemer.

Ook overheden zijn ondernemers in de zin van de WOR. Voor een OR is het noodzakelijk dat de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door één of meer natuurlijke personen, want een rechtspersoon is geen van mens van vlees en bloed. U kunt er niet mee overleggen en argumenteren en dat is wel uw belangrijkste taak.

Wie is de vertegenwoordiger van de onderneming?

Volgens het Burgerlijk Wetboek wordt de rechtspersoon vertegenwoordigd door het bestuur, de raad van commissarissen of de raad van toezicht. Bij overheidsondernemingen is het meestal een gekozen of benoemde politicus zoals de burgemeester. De WOR wijkt hier sterk van af. Aan personen die zo ver weg staan van het dagelijks bedrijf heeft uw OR immers weinig. Vandaar dat de WOR als bestuurder degene aanwijst die in het overleg met de OR de ondernemer het best kan vertegenwoordigen.

Wie is de bestuurder?

Wie is in uw onderneming de bestuurder? Dat is degene die alleen of samen met anderen de hoogste dagelijkse leiding heeft. Dat hij daarbij weer aanwijzingen van een hoger niveau moet naleven, is niet van belang zolang die ‘hogere’ niet zelf rechtstreeks opdrachten aan de werknemers geeft. Bij meerhoofdige directies of raden van bestuur wordt al snel het begrip ‘collegiaal’ gebruikt om daarmee aan te geven dat elk lid evenveel te zeggen heeft.

Vaak is er dan wel degelijk een voorzitter of een algemeen directeur die toch net wat meer te vertellen heeft. Die functionaris is dan uw bestuurder in de zin van de WOR.

Ook wordt er wel verwezen naar de HR-directeur als de meest aangewezen gesprekspartner van de OR. Ook dat is niet juist. Als de ‘echte’ bestuurder meent dat hij onvoldoende van personele zaken afweet, kan hij wel altijd de HR-medewerker laten aansluiten bij de overlegvergaderingen met de ondernemingsraad.

Praten we wel met de echte bestuurder?

De bedoeling van de WOR is dat de OR een vaste overlegpartner heeft en regel­matig iemand anders. U moet elkaar leren begrijpen en een zekere werkrelatie opbouwen. Verder moet die gesprekspartner echt de hoogste leiding in de organisatie hebben zodat u ook ‘zaken’ met hem kunt doen. Als uw onderneming meerdere bestuurders heeft in de zin van de WOR, moeten zij dus één van hen benoemen tot de vaste overlegpartner van uw ondernemingsraad.


Als u merkt dat uw vaste overlegpartner wel erg vaak ruggespraak moet plegen voordat hij uw OR iets kan toezeggen of regelmatig op zijn afspraken moet terugkomen omdat hij geen medewerking krijgt van andere hooggeplaatsten, wordt het tijd om eens kritisch te kijken of u wel praat met de echte bestuurder.

Wie is in de onderneming werkzaam?

Zowel voor het bepalen van de instellingsgrens, het zetelaantal als voor wie deel uitmaken van uw achterban is het noodzakelijk dat u weet wie er in de onderneming kiesrechten hebben voor de samenstelling van de OR. De WOR kent in artikel 6 kiesrechten toe aan ‘in de onderneming werkzame personen’. Dat is een wat omslachtige omschrijving van het begrip personeel of werknemers en dekt net zo min de lading volledig. Want het is niet zo dat ieder die (regelmatig) in de onderneming werkt kiesrechten voor de OR heeft.

Voorwaarde is dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met of een aanstelling door de eigen ondernemer. Ingeleende arbeidskrachten hebben dat niet (zie hieronder); uitgeleende arbeidskrachten wel. De bestuurder wordt niet beschouwd als ‘in de onderneming werkzaam’. Het zou slecht passen bij zijn rol als vertegenwoordiger van de ondernemer als hij tegelijkertijd tot uw achterban behoort.

Uitbreiding

De WOR breidt zelf in artikel 1 de groep ‘in de onderneming werkzame personen’ uit met degenen die op basis van een uitzend­overeenkomst langer dan twee jaar feitelijk in uw onderneming werkzaam zijn. Daarbij gaat het dus om langdurig ingeleende uitzendkrachten of gedetacheerden. Wel moeten zij bijdragen aan de ondernemingsactiviteiten en moeten zij werken onder leiding van de onderneming die hen inhuurt. Het geldt dus niet voor bijvoorbeeld ingeleende schoonmaak of catering.

 

Degenen die vanuit uw onderneming elders werkzaam zijn, behouden ook hun kiesrechten bij de eigen onderneming (de uitlener). Zij hebben dus dubbele kiesrechten, net als degenen die door uw onderneming langer dan twee jaar zijn ingeleend. Daarnaast kunnen OR en ondernemer bepaalde groepen kiesrechten geven, zoals stagiairs, vrijwilligers, kortdurend ingeleende uitzendkrachten. Uw OR kan hiervoor een beroep doen op artikel 6 WOR.

Welke ondernemingen zijn in een groep verbonden?

Artikel 1 WOR geeft geen omschrijving van het begrip ‘in een groep verbonden ondernemers’. Dit komt in de wet wel aan de orde als het gaat over het instellen van een gemeenschappelijke OR (artikel 3 WOR) en een overkoepelende OR (artikel 33 WOR). Uit rechtspraak blijkt wanneer er sprake is van zo’n groepsverband. Het moet gaan over een groep zelfstandige ondernemers die zich voor hun onderlinge samenwerking onderwerpen aan een gemeenschappelijke leiding. Die leiding kan komen van één van de groepsleden of van de groepsleden gezamenlijk.

De vraag is dan of er sprake is van voldoende gemeenschappelijkheid om een gemeenschappelijke of overkoepelende OR noodzakelijk te maken. De toetssteen daarvoor is of de toepassing van de WOR ermee gediend is. Als uw OR merkt dat belangrijke besluiten niet door de eigen ondernemer worden genomen maar door een samenwerkingsverband of door een andere ondernemer, voelt dat onrechtvaardig. Uw collega’s dragen de gevolgen, maar hun vertegenwoordiging – de OR –kon er niet over meepraten.