Tussentijds opzegbeding in vaststellingsovereenkomst?

Het ontbreken van een tussentijds opzegbeding in een tijdelijk contract kan ertoe leiden dat een werknemer na uitdiensttreding geen WW-uitkering krijgt. Mogelijk is dit te voorkomen door bij vertrek een vaststellingsovereenkomst met tussentijds opzegbeding te sluiten.

24 augustus 2021 | Door redactie

Afgelopen week hield een opvallende zaak bij Rechtbank Amsterdam de gemoederen bezig. Deze ging over een werkgever en werknemer die in het arbeidscontract geen tussentijds opzegbeding waren overeengekomen. Een opzegbeding maakt het mogelijk om een tijdelijk contract tussentijds te beëindigen. Het beding is ook vereist voor een WW-uitkering: wordt een tijdelijk contract zonder tussentijds opzegbeding met wederzijds goedvinden beëindigd, dan heeft de werknemer geen recht op een WW-uitkering tot de oorspronkelijke einddatum van zijn contract. Dit is vastgelegd in artikel 19, lid 4 van de Werkloosheidswet (WW). De werknemer wordt dan verwijtbaar werkloos geacht door UWV. De werknemer heeft zonder zijn medewerking aan het ontslag met wederzijds goedvinden immers recht op loon tot die oorspronkelijke einddatum.

UWV mag werknemer WW-uitkering niet ontzeggen

De werkgever en werknemer uit de zaak bij de bestuursrechter in Amsterdam hadden hier iets op bedacht: zij namen in een vaststellingsovereenkomst voor een ontslag met wederzijds goedvinden alsnog een tussentijds opzegbeding (tool) op. Daarmee claimden ze dat het beding aan het schriftelijkheidsvereiste voldeed. UWV zag hierin echter geen reden om aan de werknemer een WW-uitkering toe te kennen. Anders zou artikel 19 lid 4 WW in feite nutteloos zijn.
Het oordeel was aan de rechter. Die gaf aan dat een werknemer zonder tussentijds opzegbeding in de arbeidsovereenkomst wél direct in aanmerking kan komen voor een uitkering, op voorwaarde dat het beding alsnog vóór uitdiensttreding is vastgelegd, bijvoorbeeld in de vaststellingsovereenkomst. De partijen hebben de contractsvrijheid om de gesloten arbeidsovereenkomst te wijzigen.

Verdere gevolgen van uitspraak zijn onduidelijk

De uitspraak gaat alleen over de toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 19 lid 4 van de WW. Er blijkt niet uit of een werknemer door het meewerken aan het tussentijds opzegbeding in de vaststellingsovereenkomst een zogeheten benadelingshandeling pleegt – oftewel onnodig meewerkt aan zijn ontslag – en daardoor toch zijn WW-uitkering kan verliezen. Mogelijk gaat UWV nog in hoger beroep, waarbij de Centrale Raad van Beroep verdere duidelijkheid kan geven over de vraag of een vaststellingsovereenkomst (tool) met tussentijds opzegbeding een oplossing voor het recht op een uitkering kan zijn als dit beding in de arbeidsovereenkomst ontbreekt. Is dat niet zo, dan is ook de vraag tot welk moment gedurende de arbeidsovereenkomst nog wél een tussentijds opzegbeding voor dit doel is af te spreken.
Rechtbank Amsterdam, 11 augustus 2021, ECLI (verkort): 4295