VERDIEPINGSARTIKEL

WW-premie straks niet per sector maar per arbeidsovereenkomst

Per 1 januari 2020 wordt de manier van berekening van het premiepercentage voor de Werkloosheidswet (WW) grondig anders. Vanaf dat moment zal de gedifferentieerde premie WW namelijk niet meer afhankelijk zijn van de sectorindeling, maar van het soort arbeidsovereenkomst van de individuele werknemers. Dat kan voor uw organisatie een stuk goedkoper, maar ook veel duurder uitpakken!


14 augustus 2019 6 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online en René Keuzenkamp, adviseur loonheffingen bij HLB van Daal, e-mail: r.keuzenkamp@hlb-van-daal.nl , www.hlb.nl/van-daal


De Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is inmiddels afgehamerd. Dat betekent dat 2019 het laatste jaar is waarin de WW-premie per sector verschilt. Per 2020 worden de bestaande sectorpremies en de Awf-premie vervangen. Werkgevers betalen dan niet meer op basis van de sector waarin ze door de Belastingdienst zijn ingedeeld, maar op basis van de duur van de arbeidsovereenkomst van de werknemer. Uw organisatie gaat per 1 januari 2020 een lagere WW-premie betalen voor werknemers met een vast contract dan voor werknemers met een flexibel contract.

5 procentpunten verschil tussen hoge en lage premie

De hoogte van die nieuwe premies is nog niet bekendgemaakt, maar wel staat al in de toelichting op de WAB dat het verschil tussen de hoge en lage WW-premie ongeveer vijf procentpunten zal zijn. De lage premie gaat alleen gelden voor werknemers van wie het contract bij uw organisatie aan deze drie eisen voldoet:

  • De arbeidsovereenkomst is schriftelijk overeengekomen.
  • De arbeidsovereenkomst is voor onbepaalde duur.
  • De contracturen per periode zijn eenduidig in de arbeidsovereenkomst vastgelegd; er is dus geen sprake van een oproepovereenkomst.

De voorlopige inschatting gaat uit van premiepercentages van respectievelijk 2,78% en 7,78%. Hiermee wil de regering het sluiten van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aantrekkelijker maken voor werkgevers, zodat voor werkenden meer perspectief op zekerheid ontstaat.

De nieuwe WW-premie in het salarispakket

Vermoedelijk zullen salarissoftwarepakketten de premies standaard op hoog zetten of met specifieke werknemersprofielen gaan werken om risico’s op naheffing te voorkomen. Uw organisatie moet de regelgeving kennen om geen onnodige kosten te maken of risico’s te lopen. Als gevolg van de antimisbruikbepalingen zult u vervolgens periodiek voor werknemers moeten toetsen of het hoge premiepercentage niet alsnog toegepast moet worden. De soort arbeidsovereenkomst moet vanaf 1 januari 2020 bovendien verplicht opgenomen worden op de loonstrook. Dit vermindert naar de verwachting van de regering de kans op fraude en fouten.

Geen sectorherindeling met terugwerkende kracht

Vooruitlopend op de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is het sinds 29 juni 2018 om 17:00 uur al niet meer mogelijk de sectorindeling voor de sociale verzekeringen met terugwerkende kracht te herzien, of een groepsaansluiting dan wel gesplitste aansluiting aan te gaan. Uw organisatie zit dus al een jaar vast aan de sectorindeling die u in de eerste helft van 2018 had. De reden voor deze wijziging is dat de sectorindeling een steeds groter hoofdpijndossier is geworden voor de Belastingdienst. De problemen komen vooral door de verouderde en dubbelzinnige omschrijvingen van de sectoren. Het is vaak moeilijk om de werkzaamheden van een werkgever aan een sector toe te wijzen, óók omdat per werkgever vaak meerdere soorten werkzaamheden worden uitgevoerd. Daar komt bij dat werkgevers regelmatig ‘shoppen’ tussen sectoren om een zo laag mogelijke premie te betalen. Daarom is besloten te gaan werken met een premiedifferentiatie naar de aard van de arbeidsovereenkomst. Dit past ook goed bij het streven van de regering om het aanbieden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te stimuleren.

Jaarurennorm biedt mogelijkheden onder de WAB

Voor vijf sectoren (agrarisch, bouw, horeca, cultureel, en schilders) is er nu al premiedifferentiatie op basis van contracten: voor contracten voor korter dan een jaar wordt een hoog premiepercentage gerekend en voor contracten voor minstens een jaar of onbepaalde tijd het lage premiepercentage. Deze sectoren zijn al gewend om bij de verloning op het soort contract te letten.
Toch is het wetsvoorstel juist voor deze sectoren ook interessanter. In de WAB is het namelijk mogelijk om ook het lage premiepercentage toe te passen voor arbeidsovereenkomsten waarbij de arbeidsomvang per jaar overeen is gekomen, als het recht op loon gelijkmatig over het jaar is gespreid: de zogenoemde jaarurennorm. De werknemer heeft dan zekerheid over het aantal te werken uren per jaar en het te ontvangen loon. Ook ontstaat er in de tussentijd geen recht op een WW-uitkering door de gelijkmatige spreiding van het loon, terwijl de werkgever beschikt over de gewenste flexibiliteit.
Er is ook kritiek op de voorgestelde regelgeving voor de jaarurennorm. Werknemers hebben namelijk als gevolg van deze regelgeving na het aangaan van de overeenkomst geen inkomensverlies meer per maand. Zij kunnen dus geen WW-uitkering meer aanvragen, waar zij dat voorheen voor hun werkloze periodes in het jaar wel konden doen. Dit terwijl hun loon over het jaar gezien bij gelijke omstandigheden wel hetzelfde blijft. Zo wordt door de jaarurennorm een werkgeverslast eigenlijk een werknemerslast.

Hogere WW-premie verwacht in 2020

De afgelopen jaren zijn de percentages voor de sectorpremie WW snel gedaald. Vergeleken met de jaren 2018 en 2019 kunnen de meeste werkgevers in het jaar 2020 echter weer een forse stijging van hun premie WW verwachten. Aan de andere kant heeft uw organisatie ook meer invloed op de werkgeverslasten. U bepaalt immers wat voor arbeidsovereenkomsten u aan werknemers aanbiedt. Deze arbeidsovereenkomsten bepalen dan vervolgens de hoogte van de WW-premie. De hoofdregel is dat het lage premiepercentage mag worden toegepast voor werknemers met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, tenzij er sprake is van een oproepcontract conform artikel 7:628 van het Burgerlijk Wetboek. Dat maakt zogenoemde nulurencontracten en min-maxcontracten minder aantrekkelijk.

WAB zorgt al voor lage sectorpremie WW in 2019

Omdat de WW-premie die de werkgever betaalt per 2020 gaat afhangen van de aard van de arbeidsovereenkomst en niet meer van de sector, wordt het vermogen uit de sectorfondsen per 2020 overgeheveld naar het Algemeen werkloosheidsfonds (Awf). Er zijn wel gelijk regels opgesteld voor de behandeling van sectoren die – doordat de WW-lasten in een jaar hoger of lager zijn uitgevallen dan verwacht – een vermogenstekort of vermogensoverschot hebben. In de Regeling Wet financiering sociale verzekeringen (WFSV) is geregeld dat sectoren met een verwacht vermogenstekort dat tekort in 2019 voor een derde moeten inlopen. Sectoren met een overschot kunnen als vanouds de sectorpremie voor 2019 verlagen, zolang die maar niet negatief uitvalt. UWV heeft bij het vaststellen van de sectorpremies voor 2019 al rekening gehouden met deze regels. Alle tekorten en overschotten die na 2019 in de sectorfondsen over zijn, zullen daarna worden overgeheveld naar het Awf.

Lage premie in twee gevallen herzien

Ook voor leerlingen in de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) mag u straks het lage premiepercentage toepassen. Dit moet werkgevers te stimuleren om opleidingsplekken aan te bieden aan leerlingen in het beroepsonderwijs. In het wetsvoorstel zijn wel een aantal antimisbruikbepalingen opgenomen. In de volgende gevallen moet u zelfs bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd alsnog het hoge percentage toepassen:

  • De dienstbetrekking wordt binnen twee maanden na aanvang beëindigd.
  • In de loonaangifte zijn voor de werknemer binnen een kalenderjaar minstens 30% meer uren verantwoord dan contractueel voor dat jaar overeengekomen; er is dan blijkbaar geen sprake geweest van een eenduidige arbeidsomvang. Dit geldt alleen voor arbeidsovereenkomsten met een overeengekomen arbeidsomvang van minder dan 35 uur.

Oorspronkelijk waren er vier situaties waarin uw organisatie met terugwerkende kracht een lage premie voor een werknemer moest herzien naar de hoge premie. Voor de andere twee zouden werkgevers afhankelijk zijn van een kopie van een WW-beschikking van UWV. Omdat de uitvoeringslast en het risico op fouten voor UWV te groot is, heeft het kabinet heeft die twee situaties per 2020 laten vervallen. In 2021 komt er een onderzoek of, en zo ja, per wanneer de twee uitgestelde herzieningssituaties alsnog in werking kunnen treden.

Lage premie voor kleine studentenbaantjes

Bij de behandeling van de WAB in de Tweede Kamer is een amendement bij de wet aangenomen dat een uitzondering regelt op de hoge WW-premie bij tijdelijke contracten. Flexibele contracten voor jongeren onder de 21 jaar die gemiddeld niet meer dan 12 uur per week werken, gaan namelijk onder de lage WW-premie vallen. Dit zijn weliswaar flexkrachten, maar kleine studentenbaantjes leveren over het algemeen niet veel instroom in de Werkloosheidswet (WW) op. De betreffende werknemers zitten bovendien meestal helemaal niet op een vast contract te wachten.
Om te controleren of de lage WW-premie terecht is toegepast, kan de Belastingdienst de geboortedatum en de verloonde uren van de werknemer uit de loonaangifte vissen, dus er zijn geen technische aanpassingen nodig om deze uitzondering in te voeren.

Weloverwogen keuze tussen kosten en risico’s

De nieuwe premiedifferentie zal voor veel werkgevers voor hogere lasten zorgen. Hij biedt u echter ook de kans om weloverwogen te kiezen tussen kosten en risico’s. Een inventarisatie van uw werknemersbestand kan daarbij verstandig zijn: eventueel kunt u de contracten van sommige tijdelijke werknemers dit jaar al omzetten naar onbepaalde tijd en zo premie besparen.