VERDIEPINGSARTIKEL

Profiteren van innovatieve projecten met de innovatiebox

Ondernemingen die zich bezighouden met innovatieve projecten voor immateriële activa kunnen, als er is voldaan aan de voorwaarden, profiteren van de innovatiebox. Via de innovatiebox zijn de voordelen uit innovatieve activiteiten nu nog in de vennootschapsbelasting (VPB) belast tegen een tarief van 7%. In het Belastingplan 2020 is aangegeven dat dit tarief in 2021 wordt verhoogd naar 9%.


4 maart 2020 5 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


Ondernemingen die zich bezighouden met innovatieve projecten voor immateriële activa kunnen, als er is voldaan aan de voorwaarden, profiteren van de innovatiebox. Via de innovatiebox zijn de voordelen uit innovatieve activiteiten nu nog in de vennootschapsbelasting (VPB) belast tegen een tarief van 7%. In het Belastingplan 2020 is aangegeven dat dit tarief in 2021 wordt verhoogd naar 9%.

Vanaf de invoering van de innovatiebox in 2010 heeft deze belastingplichtigen veel voordelen gebracht. De innovatiebox is een speciale tariefbox binnen de VPB. Winsten die in deze box vallen, worden belast tegen een tarief van 7%, en in 2021 tegen 9%, in plaats van in 2019 19% en 25% en in 2020 16,5% en 25%.

Het opnemen van een immaterieel activum in de innovatiebox

Voldoet een immaterieel activum aan alle voorwaarden, dan kunt u ervoor kiezen om dit in de innovatiebox op te nemen. Dit kan niet als het activum nog in ontwikkeling is. U geeft uw keuze voor de innovatiebox door in uw aangifte VPB over het eerste jaar waarin u de innovatiebox wilt toepassen. U kunt deze keuze maken zolang de aanslag over dat jaar nog niet onherroepelijk vaststaat. U kunt kiezen voor de toepassing van een forfait bij toepassing van de innovatiebox.

Voordeel
Een voordeel is dan dat u niet hoeft uit te rekenen hoeveel winst u precies mag toerekenen aan de activa die u aan de innovatiebox heeft toegekend. Hiermee voorkomt u discussie met de fiscus. Het forfait is 25% van uw nettowinst. Het gaat hierbij om de winst vóór toepassing van de innovatiebox. U mag elk jaar kiezen of u het vaste percentage wel of niet toepast. Het maximale bedrag waarop u het forfait toepast is € 25.000. U mag het forfait toepassen in het jaar waarin u de activa heeft voortgebracht en de twee volgende jaren.

Om voor de innovatiebox in aanmerking te komen moet uw onderneming zelf een ‘innovatie’ hebben ontwikkeld. Dit moet een voor uw onderneming technisch nieuwe toepassing zijn, die de komende jaren meerdere malen opbrengsten oplevert. Er is dus sprake van een bedrijfsmiddel. Dit wordt ook wel een immaterieel activum genoemd: een niet tastbaar, zelfstandig te identificeren en af te zonderen bedrijfsmiddel (bijvoorbeeld in de vorm van kennis, ontwerpen, modellen, etc.) dat in de toekomst naar verwachting economische voordelen zal opleveren.

Voorwaarden toegangsticket innovatiebox

Naast dit zelf ontwikkelde innovatieve bedrijfsmiddel moet u over een toegangsticket beschikken. Tot en met 2016 kende de innovatiebox drie toegangstickets. Een onderneming kwam in aanmerking voor de innovatiebox als zij één van de volgende zaken had:

  • een octrooi;
  • een kwekersrecht;
  • een S&O-verklaring die uit de WBSO voortvloeit.

Vanaf 2017 zijn de toegangstickets voor de innovatiebox aangepast. Hierbij is voor u van belang of uw onderneming een kleinere of een grotere onderneming is. Voor kleinere ondernemingen is de S&O-verklaring het enige toegangsticket. U bent een kleinere belastingplichtige als:

  • Het brutovoordeel uit al uw immateriële activa in het boekjaar waarin uw onderneming gebruik wil maken van de innovatiebox en de vier voorafgaande boekjaren minder dan € 37,5 miljoen is.
  • Uw netto-omzet in het boekjaar waarin uw onderneming gebruik wil maken van de innovatiebox plus de vier voorafgaande boekjaren ten hoogste € 250 miljoen is. Maakt uw onderneming deel uit van een groep, dan moet u uitgaan van de netto-omzet van de groep.

Grotere ondernemingen hebben naast de S&O-verklaring nog een toegangsticket nodig, zoals:

  • een octrooi;
  • een kwekersrecht;
  • programmatuur;
  • een vergunning om een geneesmiddel op te markt te brengen;
  • een geregistreerd gebruiksmodel ter bescherming van innovatie;
  • een aanvullend beschermingscertificaat;
  • een exclusieve licentie voor het gebruik van de genoemde zaken.

Voor grotere ondernemingen gelden ook innovaties waarvoor alleen een S&O-verklaring is afgegeven, als deze samenhangen met andere innovaties waarvoor al twee toegangstickets aanwezig zijn.

Samenhang met andere innovaties

In een nieuw besluit over de innovatiebox is het begrip samenhang nader uitgewerkt. Er is in principe samenhang op drie niveaus mogelijk: op product-, procestechnologisch en R&D-niveau. De eerste twee categorieën van samenhang vereisen volgens de voorbeelden in het besluit een vrij nauw verband tussen het S&O-activum en het aanvullende toegangsticket.

De samenhang op R&D-niveau lijkt belastingplichtigen meer ruimte te bieden. Het ministerie van Financiën geeft aan dat bij sterke personele verwevenheid tussen de werkzaamheden van de verschillende R&D-medewerkers, er ook samenhang ontstaat tussen wat zij ontwikkelen. Zo is er samenhang tussen de S&O-activa met een octrooi, en de S&O-activa zonder dit tweede ticket.

Door de ruime benadering van het begrip ‘samenhang op R&D-niveau’ lijkt het mogelijk om S&O-activa zonder tweede toegangsticket toch in aanmerking te nemen voor de innovatiebox. Dit terwijl er geen samenhang is op product- of procesniveau.

De innovatiebox geldt alleen voor de winst die u behaalt met innovatieve werkzaamheden in Nederland

Innovatieve werkzaamheden in Nederland

Volgens de regels van het internationale belastingrecht worden uw winsten belast in het land waar de winstgevende activiteiten plaatsvinden. Heeft uw onderneming bijvoorbeeld een verkoopkantoor in Frankrijk, dan wordt de winst die is toe te rekenen aan het verkopen van uw producten door dit verkoopkantoor belast in Frankrijk. Ook de innovatiebox geldt dus alleen voor de winst die u behaalt met innovatieve werkzaamheden in Nederland.

Nexus-beginsel internationale bedrijven

Om dit principe internationaal te waarborgen zijn de OESO-landen een ‘nexus-beginsel’ overeengekomen. Dit principe is in Nederland zó vormgegeven, dat het alleen gevolgen heeft voor innovatieve werkzaamheden die u uitbesteedt aan verbonden ondernemingen die niet tot de fiscale eenheid voor de VPB behoren.

De wetgever wil met de nexus-benadering zeker stellen dat alleen winsten in de innovatiebox vallen als de belastingplichtige zelf substantiële R&D-werkzaamheden heeft verricht. Want onder het nexus-principe komt het er grofweg op neer dat als uw onderneming meer dan circa 30% van de ontwikkeling van uw technische toepassingen uitbesteedt aan bijvoorbeeld uw Duitse zustermaatschappij, een deel van de innovatieve winst niet in aanmerking komt voor het voordeel van de innovatiebox.

Beperkte S&O-mogelijkheden voor ontwikkeling van softwareprogramma’s

In 2016 is de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (S&O-afdrachtvermindering) gewijzigd. Vanaf dat moment zijn de mogelijkheden voor S&O-projecten op het gebied van programmatuur beperkt. Dit heeft voor ondernemingen die zich richten op softwareontwikkeling de nodige gevolgen bij een verlenging van de vaststellingsovereenkomst. Want in sommige gevallen zijn de R&D-werkzaamheden niet gewijzigd, maar is er geen S&O-verklaring meer afgegeven, of is het aantal S&O-uren sterk afgenomen. Het is dan lastiger om de kernfunctie R&D te blijven beargumenteren bij een verlengingsverzoek.

Lager innovatieboxpercentage 
De fiscus zal vaak tot een lager innovatieboxpercentage (willen) komen, ook als de R&D-functie niet gewijzigd is. De gedachte is dan dat in het verleden de R&D-functie te hoog beoordeeld is geweest voor de innovatiebox door de oude S&O-kwalificaties van R&D. Door de S&O-wetswijziging vindt de fiscus dat de onderneming met terugwerkende kracht minder innovatief blijkt te zijn dan dat in het verleden werd gedacht. De belastingplichtige heeft in het verleden (ten onrechte) te veel innovatieboxvoordeel genoten, waardoor dit nu bij de verlenging dient te worden rechtgetrokken.

Verbondenheid ondernemingen

In geval van een aandelenbelang van een derde deel of meer is sprake van verbondenheid. Die verbondenheid kan zijn ten opzichte van een dochter- of moedermaatschappij. Ook als een moedermaatschappij in twee ondernemingen een belang van meer dan een derde deel heeft (zustermaatschappijen) is sprake van verbondenheid.

Dus als uw zustermaatschappij niet in Duitsland is gevestigd, maar in Noord-Brabant, loopt u óók het risico dat de voordelen beperkt worden. Kijkt u dan of het de moeite waard is om ofwel de uitbesteding aan deze zustermaatschappij danwel de structuur te heroverwegen. In sommige gevallen is dit al heel simpel op te lossen door de zustermaatschappij in de fiscale eenheid op te nemen.