VERDIEPINGSARTIKEL

De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting

De deelnemingsvrijstelling is een belangrijk onderdeel van de VPB. De vrijstelling voorkomt namelijk dubbele belastingheffing bij een deelneming. De deelnemingsvrijstelling komt om de hoek kijken bij de ontvangst van voordelen uit de deelneming. Maar (helaas) ook bij verliezen op een deelneming.


18 mei 2021 4 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


De deelnemingsvrijstelling geldt voor vennootschappen die Nederlandse VPB betalen. Een vennootschap moet in Nederland VPB betalen als zij aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • de vennootschap is een rechtspersoon zoals een bv, nv of stichting;
  • de vennootschap is in Nederland gevestigd.

Dubbele belastingheffing voorkomen

De deelnemingsvrijstelling voorkomt dat in een groep van vennootschappen dubbele belastingheffing plaatsvindt. Op basis van de deelnemingsvrijstelling krijgt de moedermaatschappij namelijk een belastingvrijstelling voor de winsten van de dochtermaatschappijen.

De dochter(s) heeft (hebben) immers al belasting betaald over de eigen winsten. Bij die winsten gaat het bijvoorbeeld om ontvangen dividend en om de behaalde winst bij de verkoop van een deelneming.

Geen deelnemingsvrijstelling van toepassing

De deelnemingvrijstelling kan niet worden geclaimd door:

  • ondernemers die IB -ondernemer zijn;
  • fiscale beleggingsinstellingen (wel VPB-plichtig, maar tegen een nultarief);
  • maatschappen en andere samenwerkingsverbanden die niet zelfstandig aan Nederlandse VPB zijn onderworpen;
  • vennootschappen die zijn opgenomen in een fiscale eenheid met een andere vennootschap en daardoor niet zelfstandig VPB-plichtig zijn;
  • lichamen die zijn vrijgesteld voor de VPB, zoals bijvoorbeeld overheidslichamen en stichtingen die geen materiële onderneming drijven;
  • buitenlandse lichamen die geen onderneming in Nederland drijven.

Verlies is niet aftrekbaar

De deelnemingsvrijstelling ziet echter niet alleen op winsten maar ook op waardedalingen van de deelneming. Het verlies op een deelneming mag u dus niet aftrekken van de fiscale winst.

De deelnemingsvrijstelling heeft dus niet alleen maar voordelen. Aan-en verkoopkosten van een deelneming zijn ook niet aftrekbaar.

Hoofdregel deelneming

Er is sprake van een deelneming als de moedermaatschappij voor tenminste 5% van het nominaal gestorte kapitaal aandeelhouder is van een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Dit is de hoofdregel . In artikel 13, lid 2 van de Wet VPB staan nog andere deelnemingssituaties.

Door de meesleepregeling kunnen andere belangen als deelneming worden aangemerkt

De meesleepregeling

Er zijn meerdere situaties waarbij echter niet aan die 5%-eis wordt voldaan maar er toch sprake is van een deelneming. Zo kunnen door de meesleepregeling ook andere belangen als deelneming worden aangemerkt.

De meesleepregeling geldt ook voor winstbewijzen en hybride leningen. Heeft u een deelneming, dan vallen de daarbij behorende winstbewijzen dus ook onder deze deelneming. Hetzelfde geldt voor aan deelnemingen verstrekte hybride leningen. Deze leningen worden daarom ook deelnemerschapsleningen genoemd.

Voorwaarde is dat er op basis van de hoofdregels al een deelneming bestaat. Winstbewijzen en hybride leningen kunnen op zichzelf nooit een deelneming vormen. Zij worden ‘meegesleept’ bij een al bestaande deelneming.

De meetrekregeling

Naast de meesleepregeling is er ook een zogenoemde meetrekregeling. Op basis van deze regeling moet u een belang dat minder is dan 5% onder bepaalde voorwaarden toch als deelneming aanmerken. Dit is namelijk het geval als een zogeheten ‘verbonden lichaam’ wel een deelneming heeft. Dit is dus een versoepeling van de hoofdregels.

Kwalificerende beleggingsdeelneming of niet?

Worden aandelen aangehouden als belegging, dan gelden voor deze belangen andere regels. De deelnemingsvrijstelling is namelijk wel van toepassing op kwalificerende beleggingsdeelnemingen, maar niet op niet-kwalificerende beleggingsdeelnemingen. De wetgever wil hiermee namelijk voorkomen dat de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing is op beleggingsdeelnemingen in landen met een laag belastingtarief.

Van een kwalificerende beleggingsdeelneming is sprake als:

  • de deelneming onderworpen is aan een winstbelasting die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing (onderworpenheidstoets), of
  • de bezittingen van de deelneming doorgaans (on)middellijk voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen (bezittingentoets)

Voldoet de deelneming aan een van beide toetsen, dan is de deelnemingsvrijstelling van toepassing.

Bij de onderworpenheidstoets wordt de buitenlandse belastingheffing over de winst van de deelneming vergeleken met de heffing naar Nederlandse maatstaven. Een tarief van 10% is normaal gesproken een reële heffing.

Definitie verbonden lichaam

Voor de definitie van het begrip ‘verbonden lichaam’ geldt het zogeheten ‘een derde belang’-criterium. In de volgende (kort omschreven) situaties is een lichaam met uw vennootschap ‘verbonden’:

  • uw vennootschap is voor ten minste een derde deel aandeelhouder van het lichaam;
  • het lichaam is voor ten minste een derde deel aandeelhouder van uw vennootschap;
  • het lichaam maakt met uw vennootschap deel uit van een fiscale eenheid voor de VPB;
  • een andere rechtspersoon is voor ten minste een derde deel aandeelhouder van het lichaam terwijl deze andere rechtspersoon ook voor ten minste een derde deel aandeelhouder is van uw vennootschap.

De regeling is ook weer van toepassing op winstbewijzen en hybride geldleningen.

Er is nog een versoepeling van de 5%-eis. De wet bepaalt dat de deelnemingsvrijstelling nog drie jaar voortduurt als het belang onder de 5% is gedaald. Strikt genomen is er dan eigenlijk geen sprake meer van een deelneming.

Maar de regels van het ‘aflopend belang’ bepalen dat u de deelnemingsvrijstelling dan toch kunt toepassen als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • het aandelenpakket is meer dan een jaar in uw bezit;
  • op het aandelenpakket is de deelnemingsvrijstelling onafgebroken van toepassing geweest.

De laatste uitzondering op de 5%-eis geldt voor aandelen in vennootschappen uit de Europese Unie. Een belang van minder dan 5% is toch een deelneming als:

  • het gaat om aandelen in een vennootschap die gevestigd is in EU-lidstaat;
  • het aandelenpakket wel minimaal 5% van de stemrechten vertegenwoordigt;
  • met de EU-lidstaat een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting is gesloten;
  • in het verdrag een verlaging op de belastingheffing van dividenden is overeengekomen op grond van het aantal stemrechten.
Het is niet noodzakelijk vooraf een toepassingsverzoek in te dienen

Geen verzoek noodzakelijk

De deelnemingsvrijstelling is van rechtswege van toepassing. Het is dus niet noodzakelijk om hiervoor een toepassingsverzoek bij de Belastingdienst in te dienen. Wel kan natuurlijk altijd aan de fiscus vooraf worden gevraagd of in een bepaalde (toekomstige) situatie de deelnemingsvrijstelling van toepassing zal zijn of niet.

Als deelneming kunnen soms ook belangen in lichamen waarvan het kapitaal niet in aandelen is verdeeld worden aangemerkt.