VERDIEPINGSARTIKEL

Wereldwijd VPB-tarief van 15% komt dichtbij

De internationale gemeenschap praat over een wereldwijd minimumtarief van 15% op bedrijfswinsten. Die discussie is vooral gestart om belastingontwijkende multinationals de pas af te snijden, en gaat dus een beetje over het hoofd van de gemiddelde mkb’er heen. Maar het lijkt er met het akkoord natuurlijk wel op dat bv’s een verdere daling van het lage VPB-tarief wel kunnen vergeten.


8 september 2021 3 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


Op internationaal niveau wordt al jaren gesoebat over het aanpakken van belastingontwijking door multinationals. En over het ‘eerlijker verdelen’ van bedrijfswinsten over landen.

Het veel aangehaalde voorbeeld daarbij zijn de grote Amerikaanse technologiebedrijven als Apple, Google en Facebook. Zij maken winst in allerlei landen, maar in het algemeen levert dat die landen naar verhouding niet al te veel belastinginkomsten op.

Akkoord over minimumtarief

Met de komst van president Joe Biden zijn de gesprekken in een stroomversnelling geraakt. Er kwam een akkoord over een minimumtarief van de G7, een overlegorgaan van de zeven grootste economieën. Dit akkoord is besproken in een overleg van 139 landen onder leiding van de OESO, de internationale organisatie voor economische ontwikkeling.

Van de 139 hebben 130 landen zich achter het plan geschaard, inclusief Nederland. Volgens de OESO zijn deze landen samen goed voor zo’n 90% van de wereldeconomie. Het is de bedoeling om het voorstel op een OESO-vergadering in oktober te bekrachtigen. Als dat lukt, zouden de afspraken vanaf 2023 in werking treden.

Deze afspraken raken de allergrootste multinationals

Twee pijlers

Het voorstel bestaat uit twee pijlers. De ene regelt een andere verdeling van bedrijfswinsten en de heffingsrechten voor landen. In de tweede pijler staan afspraken over een wereldwijd minimumtarief van 15% op bedrijfswinsten. Deze afspraken raken de allergrootste multinationals.

Verdeling van winsten (pijler 1)

  • Geldt voor ondernemingen met een wereldwijde omzet van meer dan € 20 miljard en een winstmarge van meer   dan 10% (winst gedeeld door omzet). Na zeven jaar wordt bezien of de drempel naar € 10 miljard kan.
  • Er komen uitzonderingen voor een paar sectoren, maar die moeten nog exact ingevuld worden.
  • Een land mag heffen over de bedrijfswinst als een onderneming minstens € 1 miljoen aan omzet behaalt in dat land. Dus ook als de multinational niet fysiek aanwezig is in dat land. Hoeveel winst dit land dan toebedeeld krijgt om in de heffing te betrekken moet nog exact bepaald worden.

Wereldwijd minimumtarief van 15% (pijler 2)

  • Geldt voor multinationals met een omzet van minstens € 750 miljoen. Onder meer overheidsinstellingen, non-profitorganisaties en pensioenfondsen zijn uitgezonderd.
  • Het land waar de uiteindelijke moedermaatschappij is gevestigd mag ‘bijheffen’ als de buitenlandse winsten niet zijn belast tegen het afgesproken minimumtarief. Als dit land die heffing niet toepast, mogen andere landen bijheffen.
  • Een percentage van de winst valt buiten de grondslag voor het minimumtarief. Dit percentage is gebaseerd op de loonkosten en de materiële vaste activa (zoals machines) van een onderneming in een land. De details worden nog uitgewerkt.
Het akkoord kan risico’s van ‘kunstmatige winstverschuiving’ effectief aanpakken

Kritiek op tarief

De internationale gemeenschap lijkt het dus aardig eens. Maar kritiek is er ook. Bijvoorbeeld van landen met een VPB-tarief onder de 15% (zie het kader hieronder). Andere zien juist liever een hoger minimumtarief. Ook zijn er critici die menen dat landen juist omlaag gaan bewegen met hun tarief, richting het minimumtarief.

Nederland denkt dat het akkoord risico’s van ‘kunstmatige winstverschuiving’ effectief kan aanpakken, aldus het kabinet. Nederland kan mogelijk ook een graantje meepikken van wereldwijde winsten. Door het minimumtarief zou er volgens de OESO jaarlijks zo’n $ 150 miljard aan extra belasting worden geheven bij multinationals. Het kabinet zal binnenkort meer informatie geven over de financiële consequenties voor Nederland.

VPB-tarieven flink gedaald afgelopen jaren

De OESO heeft onlangs weer de VPB-toptarieven in de 38 OESO-landen geturfd. Nederland is met 25% een middenmoter. België zit ook op 25%, maar Duitsland rekent 29,9%. Portugal zit met 31,5% het hoogst van deze groep. Het gemiddelde VPB-tarief is wereldwijd behoorlijk gedaald de afgelopen jaren.

Van de ruim 100 landen in de bredere meting van de OESO ligt het gemiddelde tarief in 2021 op 20,0%, tegen 28,3% in 2000. De vijf laagste tarieven (landelijke en eventuele regionale tarieven samen) van de OESO-landen zijn: Hongarije (9%), Chili (10%), Ierland (12,5%), Litouwen (15%), Polen, Slovenië, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk (19%).