VERDIEPINGSARTIKEL

Artikel 25 & 26 WOR: Het adviesrecht van uw OR uitgewerkt van theorie naar praktijk

Buitenstaanders denken bij het woord OR-advies al snel aan een goed- of afkeuring door de OR van een door of namens de directie uitgewerkt plan. In de praktijk is het vaak ook niet meer dan dit.

Artikelen 25 en 26 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) bewijzen echter dat dit niet de bedoeling is. Uw bestuurder is niet alleen verplicht om uw advies te vragen als het plan nog niet uitgewerkt is. Hij moet ook nog eens rekening houden met uw advies.


26 augustus 2020 6 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online


In de literatuur en in de praktijk is het OR-advies gelijk komen te staan met een positief of een negatief oordeel over een ingediend plan, eventueel aangevuld met mitsen en maren. Dat komt doordat de rechtspraak is ontwikkeld in de gevallen dat een OR in beroep gaat tegen een definitief besluit dat afwijkt van het OR-advies.

Om te kunnen beslissen over de vraag of de bestuurder ‘in redelijkheid’ tot het genomen besluit heeft kunnen komen, moet de rechter dan weten wat het eindoordeel van de OR over het ingediende plan is.

Voor of tegen het plan

U doet er dus goed aan in uw gevraagde advies – naast een inhoudelijke beoordeling van het plan met vaak meerdere deeladviezen – ook aan te geven of uw OR voor of tegen het plan is. Een positief eindadvies ontkracht de deeladviezen niet, omdat de bestuurder verplicht is om bij elk onderdeel van uw advies aan te geven of hij dat overneemt en zo niet, waarom niet.

Ook tegen een ontbrekende onderbouwing kan uw OR in beroep bij de rechter. Maar als u uw adviezen extra sterk wilt benadrukken, geef dan een negatief eindoordeel “tenzij aan de voorgaande deeladviezen alsnog wordt voldaan”.

Als u in uw advies niet inhoudelijk ingaat op het plan, wordt uw oordeel een stempel: ‘goedgekeurd’ of ‘afgekeurd’, en wijzigt u niets aan de voorgenomen besluiten. Laat uw adviezen dus beginnen met wat u van het plan vindt, waar u mogelijk verdere verbeteringen ziet en eindig met een eindoordeel dat logisch voortvloeit uit uw inhoudelijke beoordeling.

Een gedetailleerd plan is veel moeilijker te veranderen

Personele gevolgen

Een tweede aandachtspunt bij het gebruik van uw adviesrecht vloeit voort uit lid 2 en lid 3 van artikel 25. Uit lid 3 blijkt dat uw bestuurder bij het vragen van advies ook de personele gevolgen van het plan moet aangeven. En zelfs wat hij daartegen zal doen.

Dat veronderstelt dat uw bestuurder zijn plan zo ver heeft uitgewerkt dat hij de gevolgen voor de betrokken werknemers in kaart heeft. Dat staat dan weer op gespannen voet met lid 2 van dit artikel, dat uw bestuurder verplicht om u om advies te vragen op het moment dat dit nog van invloed kan zijn op zijn plannen.

Als u te strak vasthoudt aan het zicht krijgen op alle gevolgen (lid 3), gaat dat ten koste van uw invloed (lid 2). Het beantwoorden van de vele vragen die u kunt stellen, kost niet alleen tijd maar dwingt uw bestuurder ook om zijn plan verder uit te werken. Een gedetailleerd plan is veel moeilijker te veranderen dan een plan op hoofdlijnen.

Adviesrecht

Als volwaardige gesprekspartner van uw bestuurder kunt u over elk onderwerp dat over uw organisatie en haar toekomst gaat ongevraagd adviseren (zie kader hieronder).

Maar de wetgever heeft in artikel 25, lid 1 WOR de onderwerpen opgesomd waarover uw bestuurder geen besluit mag nemen zonder eerst uw OR om advies te vragen. Dit zogenaamde adviesrecht is dus eigenlijk een plicht voor uw bestuurder om uw OR (tijdig) om advies te vragen.

Procedure voor ongevraagd adviseren

Op grond van artikel 23 WOR mag uw OR zowel mondeling als schriftelijk voorstellen doen aan uw bestuurder. Dit is benoemd als het initiatiefrecht van de OR, maar feitelijk gaat het dus om ongevraagd adviseren. Lid 3 van dit artikel gaat over de schriftelijke vorm. Het verschil met het adviesrecht van artikel 25 is heel klein.

Afwijzing advies
Lid 3 bepaalt ook de procedure van dat schriftelijke initiatiefrecht. Uw bestuurder moet er tenminste één keer met uw OR over spreken tijdens de overlegvergadering. Daarna moet hij zijn besluit schriftelijk en gemotiveerd kenbaar maken. Ook dat lijkt erg op de procedure bij gevraagde adviezen.

Het grote verschil is dat uw OR bij een afwijzing van het advies niet in beroep kan gaan bij de Ondernemingskamer. U kunt echter wel in beroep bij de kantonrechter als de wettelijke procedure niet wordt nageleefd of als u vindt dat de afwijzing onvoldoende is onderbouwd.

Centraal in deze opsomming staat het begrip 'belangrijk'. Het gaat steeds om onalledaagse besluiten die nu of in de toekomst grote gevolgen kunnen hebben voor de werknemers die u vertegenwoordigt.

Besluiten die direct ingrijpen op het werk, de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsomstandigheden van één of meer groepen werknemers, vallen vaak onder het instemmingsrecht. Hierover leest u meer in een later artikel.

Wel of niet artikel 25

Veel bestuurders en ondernemingsraden ruziën over de vraag of een bepaald plan wel of niet onder de opsomming van artikel 25 WOR valt. Vermijd dit conflict, want het kost veel tijd en het doet de verhouding tussen uw OR en uw bestuurder geen goed.

Uiteindelijk kan alleen de rechter bepalen of uw bestuurder – gegeven de omstandigheden – over een voorgenomen besluit om advies had moeten vragen. U kunt de welles-nietesfase overslaan door ongevraagd te adviseren of door uw bestuurder advies te laten vragen 'voor zover verplicht'.

Met deze formulering zal de rechter zich bij een eventueel beroep van uw OR tegen het definitieve besluit, eerst buigen over de vraag of de kwestie inderdaad onder artikel 25 WOR viel. Uw bestuurder hoeft nu niet bang te zijn dat hij uw OR onbedoeld een beroepsrecht heeft gegeven voor het geval het definitieve besluit afwijkt van het ontvangen advies.

Procedure voor uw advies volgens artikel 25

Bij verplichte adviesaanvragen op grond van artikel 25 WOR moet uw bestuurder zijn plan schriftelijk voorleggen aan uw OR. Hoewel de wet het niet verplicht, kunt u uw advies het beste ook schriftelijk uitbrengen.

Daarvoor moeten er één of meer overlegvergaderingen plaatsvinden waarin u met uw bestuurder spreekt over uw mening en plan. Desgewenst neemt een delegatie van de toezichthouder deel aan dit overleg.

Is het advies eenmaal uitgebracht, dan neemt uw bestuurder zijn besluit. Hierover moet hij uw OR zo spoedig mogelijk schriftelijk informeren, inclusief een onderbouwing van het mogelijk niet (geheel) volgen van uw advies. In het laatste geval volgt een opschortingstermijn voor het besluit van uw bestuurder (zoals hierboven beschreven).

Tijdig aankondigen
Te verwachten advies- en instemmingsprocedures moet uw bestuurder in de halfjaarlijkse overlegvergaderingen aankondigen. Dat stelt uw OR in staat om alvast een mening te vormen over de voorwaarden waaraan dat plan straks moet voldoen.

U heeft dan zelfs de mogelijkheid om alvast met de bestuurder en andere betrokkenen in gesprek te gaan over uw criteria.

Beroepsrecht

Hoewel ondernemingsraden er weinig gebruik van maken, geldt voor de besluiten die vallen onder de onderwerpen van artikel 25 WOR wel een sterk beroepsrecht. Dat staat beschreven in artikel 26 WOR.

Als het definitieve besluit afwijkt van het OR-advies of als er bij de adviesaanvraag informatie achtergehouden is die van belang was voor het OR-advies, kan uw OR in beroep bij de Ondernemingskamer van het Hof in Amsterdam.

Voor dit beroep heeft uw OR één maand de tijd. Deze maand gaat in vanaf het moment dat uw bestuurder aan uw OR bekendmaakt dat hij uw advies (deels) niet overneemt.

Om te voorkomen dat uw bestuurder in die maand nog snel even het besluit uitvoert, geldt er gedurende die maand een opschortingsverplichting voor alle uitvoeringshandelingen tenzij uw OR zegt daar geen behoefte aan te hebben. Hoewel de opschortingsverplichting automatisch ingaat bij een afwijkend besluit (artikel 25, lid 6 WOR), doet u er goed aan om uw bestuurder hier uitdrukkelijk op te wijzen. U laat daarmee ook weten dat u een beroep serieus overweegt.

Correcte besluitvorming

De Ondernemingskamer gaat niet bepalen of het omstreden besluit ondanks de kritiek van uw OR het beste besluit is, maar of de besluitvorming correct verlopen is. Dat wil zeggen volgens de wettelijke bepalingen.

Dat betekent ook dat de rechter beoordeelt of uw bestuurder wel alle belangen voldoende heeft meegewogen. Als dit niet het geval is, is het besluit niet in redelijkheid tot stand gekomen.

De rechter kan het besluit van uw bestuurder dan vernietigen. Dit betekent dat uw bestuurder zijn besluit niet mag uitvoeren. Heeft hij de uitvoering (deels) al in gang gezet, dan moet hij dit misschien zelfs terugdraaien. Ook de eventuele gevolgen van het besluit moet hij dan ongedaan maken.