VERDIEPINGSARTIKEL

Wanneer liever bruteren dan onderbrengen in vrije ruimte?

Sinds de invoering van de WKR lijken extra beloningen aan werknemers hoe langer hoe vaker in de vrije ruimte terecht te komen. De algemene tendens is: als een kostenpost de gebruikelijkheidstoets doorstaat, kunt u deze kosten het beste ten laste van de vrije ruimte brengen, zelfs al moet uw onderneming er dan 80% eindheffing over betalen. In specifieke gevallen is het echter gunstiger om zo’n extra beloning te bruteren...


3 december 2019 4 minuten Door redactie

Dit verdiepingsartikel wordt u aangeboden door Rendement Online en Roelof van Marrum, specialist loonheffingen en eigenaar van Operius, e-mail: operius.advies@gmail.com, www.operius.nl


Als u een werknemer in 2019 per maand € 100 extra nettoloon geeft, moet uw onderneming de over dit bedrag verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen voor haar rekening nemen. Dit wordt ook wel bruteren genoemd.

Als de betreffende werknemer in het 51,75%-tarief van de loonbelasting valt, zal het bijbehorende brutoloon van uw werknemer € 207,25 bedragen. En als u rekening houdt met de afbouw van de arbeidskorting (6%), gaat het zelfs om bruto € 236,69. U bent namelijk 57,75% loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd.

Overschrijding van de vrije ruimte

Als u dezelfde werknemer in plaats van een nettoloonsverhoging een maandelijkse kostenvergoeding van € 100 geeft en u deze kostenvergoeding als eindheffingsloon ten laste van de vrije ruimte brengt, is het mogelijk dat u geen loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd bent. In het geval dat hierdoor de vrije ruimte van 1,2% van de fiscale loonsom van uw onderneming wordt overschreden, bedraagt de verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen in de vorm van eindheffing ‘overschrijding WKR-forfait’ nooit meer dan € 80 (80% van € 100), waardoor uw loonkosten voor deze extra € 100 gemaximeerd worden op € 180.

Kostenvergoeding in plaats van loonsverhoging

In de praktijk is dit dus een mooie manier om € 27,25 of € 56,69 te besparen – en als de vrije ruimte niet of slechts met een deel van die € 100 wordt overschreden nog veel meer. Bovendien is er bij deze berekening nog niet eens rekening gehouden met de 8% vakantiebijslag waarop werknemers over hun brutoloon recht hebben. Die maakt het voor u nog aantrekkelijker om in plaats van een loonsverhoging een extra kostenvergoeding te geven.

Premies werknemersverzekeringen besparen

Uw onderneming heeft niet alleen voor werknemers die onder het 51,75%-tarief vallen profijt van deze werkwijze. Voor werknemers die in een lagere schijf vallen, heeft u namelijk te maken met verschuldigde premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zorgverzekeringswet (ZVW). Bij het verhogen van het loon van werknemers in het toptarief is dit niet aan de orde, omdat zij meer verdienen dan het maximumpremie- en -bijdrageloon voor de werknemersverzekeringen en ZVW dat in 2019 op € 55.927 op jaarbasis ligt.

Rekenvoorbeeld

Als u een werknemer € 100 extra nettoloon geeft en dit bedrag wordt gebruteerd voor iemand met een inkomen in de tweede of derde schijf van de loonbelasting/premie volksverzekeringen, is het bijbehorende brutobedrag € 161,55. Over dit brutoloon moet u echter premies werknemersverzekeringen afdragen. Ook moet u de werkgeversheffing ZVW betalen. Gemiddeld genomen komen deze kosten op 18,4%. U betaalt dan bijna € 30 aan premies, zodat uw totale loonkosten uitkomen op € 191. Ook hier is een onkostenvergoeding van € 100 (met loonkosten van maximaal € 180 bij overschrijding van de vrije ruimte) voordeliger.

Feitelijke belastingdruk

Hetzelfde lijkt van toepassing op werknemers die een inkomen hebben tot ongeveer € 20.000. Voor hen geldt voor 2019 een percentage van 36,65%. Het gebruteerde bedrag is dan € 157,85. Bij 18,4% premies werknemersverzekeringen komen de loonkosten dan op € 186,90, dus nét meer dan uw onderneming verschuldigd is bij overschrijding van de vrije ruimte.

Toch zijn in deze berekeningen nog niet alle ontwikkelingen meegerekend... Over het eerste deel van het inkomen is weliswaar 36,65% loonbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd, maar als de werknemer bij uw onderneming de loonheffingskorting laat toepassen, is er ook nog sprake van inbouw van de arbeidskorting. Dit betekent dat de feitelijke belastingdruk lager is dan 36,55%. Voor sommige werknemers is de feitelijke belastingdruk maar 7,938% (36,65% minus opbouw arbeidskorting van 28,712%). 

Lagere kosten

Een werknemer die € 15.000 op jaarbasis verdient, betaalt dus effectief maar 7,938% aan loonbelasting/premie volksverzekeringen. In die situatie kan het dus juist lonend zijn om wel een loonsverhoging te geven en niet een extra kostenvergoeding.

Rekenvoorbeeld

Als deze werknemer een loonsverhoging van € 100 netto krijgt, is een brutoloonsverhoging van € 110 aan de orde. Als de werkgeverslasten 18,4% bedragen, brengt dat de loonkosten op € 130. Dit is veel lager dan de 80%-heffing die aan de orde kan zijn als het loon als eindheffingsloon ten laste van de vrije ruimte wordt gebracht. Echter, als de vrije ruimte niet wordt overschreden, blijven de loonkosten onder de werkkostenregeling slechts die € 100.

Kostenplaatje goed bekijken

Kortom: het bruteren van loon brengt een bepaald kostenplaatje met zich mee. De uiteindelijke kosten zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de werknemer en het percentage werkgeverslasten dat voor uw onderneming geldt. Het alternatief is om de beloning niet te bruteren, maar als eindheffingsloon ten laste van de vrije ruimte te brengen. In hoeverre dit leidt tot de afdracht van eindheffing hangt ook weer af van uw bedrijfsspecifieke situatie, maar uw kosten zullen nooit hoger zijn dan 180%.

Natuurlijk zult u zich bij het alternatief belonen van uw werknemers wel altijd de vraag moeten stellen of het in de vrije ruimte onderbrengen van de vergoeding de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling kan doorstaan.