Rabobank bloedt voor uitknijpen onderneming in financiële nood

Rabobank heeft een klant in financiële moeilijkheden zeer nadelige voorwaarden opgelegd bij het verstrekken van noodkrediet. De bank heeft hiermee in strijd gehandeld met haar bancaire zorgplicht en moet een schadevergoeding betalen. Dat is de uitspraak van het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

5 april 2018 | Door redactie

In deze zaak verstrekte Rabobank na de financiële crisisjaren een noodkrediet aan bouwonderneming Midreth die liquiditeitsproblemen had. Vooral de steeds verdergaande voorwaarden die de bank daaraan verbond, springen in het oog. Vanwege de slechte financiële situatie en de kredietcrisis van destijds was er voor de klant geen andere alternatieve financiering (e-learning) meer mogelijk dan alleen het krediet van de Rabobank. De klant stemde daarom in met de volgende voorwaarden:

  • de bank verstrekte een noodkrediet van € 7.500.000, maar bedong daarvoor een fee van € 2.000.000, die bovenop de al hoge rente kwam;
  • de bank verstrekte vervolgens met nog enkele andere financiers een noodkrediet van € 20.000.000 waarvoor een fee van € 20.000.000 werd bedongen;
  • de aandeelhouder moest 60% van de aandelen overdragen aan Rabobank en andere financiers voor een koopsom van € 1;
  • de bestuurder moest privé een borgtocht van € 5.000.000 verstrekken aan Rabobank.

Schending van bancaire zorgplicht

Het hof oordeelde dat met de eerste drie voorwaarden (tool) voor het noodkrediet de bancaire zorgplicht (artikel 2 lid 1 van de ABV 2009) geschonden werd.  De bestuurder en aandeelhouder zouden grote nadelen ondervinden in tegenstelling tot de  onevenredig grote voordelen voor de bank. De bank hield dus onvoldoende rekening met de belangen van de klant.

Bank moet schadevergoeding betalen

Het hof rekende het Rabobank bovendien aan dat door haar onzorgvuldige beleid, waarbij de klant zijn aandelen op een ongunstig tijdstip tegen een prijs van € 1 moest verkopen, de aandelen van de klant in waarde kelderden. Deze waardevermindering was niet meer terug te draaien en kwam bovendien ten laste van het eigen vermogen van de onderneming. Daarom legde het hof de bank op een schadevergoeding te betalen aan de inmiddels failliete bouwonderneming. Deze uitspraak kan van groot belang zijn voor partijen die schade hebben geleden doordat hun bank hen heeft uitgeknepen. Het is mogelijk dat zij ook voor vergoeding van hun schade door de bank in aanmerking komen.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2018, ECLI (verkort): 2893