Bedrijfspand mag geen voorraad zijn voor HIR

U kunt een herinvesteringsreserve (HIR) vormen voor de behaalde boekwinst bij verkoop van een bedrijfspand. Dit is volgens Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden echter niet mogelijk als het pand door een geruisloze inbreng en bedrijfsfusie geen bedrijfsmiddel meer is, maar voorraad.

8 juni 2015 | Door redactie

In deze zaak ging het om een apotheek die werd gedreven in de vorm van een eenmanszaak. Het bedrijfspand was onderdeel van het ondernemingsvermogen van de apotheek. Op 8 januari 2007 verhuisde de apotheek naar een nieuw pand dat gehuurd werd door de ondernemer. De apotheker besloot op 29 mei 2007 de apotheek in te brengen in een bv en richtte daarvoor bv A en bv B op. In eerste instantie had de ondernemer de apotheek ingebracht in bv A tegen uitreiking van aandelen. Daarna werden de activa en passiva, met uitzondering van het bedrijfspand, met behulp van de bedrijfsfusiefaciliteit overgedragen aan bv B. Bv A en bv B vormden per 1 januari 2009 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

Alleen nog aanhouden van het pand

Na deze herstructurering verkocht A bv het achtergebleven pand en behaalde daarmee een boekwinst van € 260.959. Voor deze boekwinst vormde de bv een HIR, maar daar ging de inspecteur niet mee akkoord. Het bedrijfspand was namelijk volgens hem geen bedrijfsmiddel meer, maar voorraad. Daardoor mocht de bv voor de boekwinst bij verkoop van het bedrijfspand geen HIR vormen. De rechter volgde de inspecteur en accepteerde de HIR ook niet. Door de herstructurering waren het pand en de onderneming namelijk van elkaar gescheiden. Er was geen sprake meer van het drijven van een apotheek, maar slechts nog van het aanhouden van het pand met de intentie om het te verkopen. Vanaf de oprichting van bv A was het pand alleen nog maar voorraad. De fiscus corrigeerde dus terecht de winst van bv A.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 mei 2015, ECLI (verkort): 3507