Weer geen verrassende uitkomst geldigheid box 3

Ook de vierde proefprocedure over de geldigheid van de box 3-heffing heeft geen verrassing opgeleverd. Rechtbank Noord-Holland vindt de heffing voor 2014 niet in strijd met artikel 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM).

26 januari 2017 | Door redactie

In eerdere proefprocedures werd al door de rechters over de jaren 2013 en 2014 aangegeven dat de Belastingdienst mag heffen over een forfaitair rendement van 4% in box 3 (tool). De rechter uit Noord-Holland gaf voor 2014 aan dat hij het wel eens was met de belastingplichtige dat het rendement op spaartegoeden al een tijdje onder de 4% lag (en nog ligt), maar dat het rendement op beleggingen bekeken over een langere periode op 5,5% uitkomt.

Rendement over langere periode van belang

Die langere periode is ook bepalend voor de bepaling of wel of niet 4% rendement kon worden behaald in 2014. Dat was volgens de rechter nog wel zo. Bekeken over een lange reeks van jaren kon in 2014 dus nog wel een rendement van 4% behaald worden en was de heffing dus niet in strijd met artikel 1 van het EVRM. De rechtbank gaf ook nog aan dat de wetgever wel heeft ingespeeld op de maatschappelijk discussie over de box 3-heffing door het percentage van 4% aan te passen per 1 januari 2017 (tool).
Rechtbank Noord-Holland, 25 januari 2017, ECLI (verkort): 442