Toch winst uit onderneming bij geringe omzet

U geniet niet zomaar winst uit onderneming. Voorwaarden zijn namelijk dat er sprake moet zijn van een onderneming en van een bron van inkomen. De fiscus kijkt hiervoor naar de omvang van uw activiteiten, de omvang van de risico’s op debiteuren en voorraad en of de onderneming afhankelijk is van één afnemer. Recent heeft de Hoge Raad echter aangegeven dat een geringe omzet en weinig directe uren in de aanvangfase geen probleem voor het ondernemerschap hoeven te zijn.

10 mei 2012 | Door redactie

Er is sprake van een onderneming bij de aanwezigheid van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid waarmee beoogd wordt winst te behalen door deelname aan het economische verkeer. Bij het beoordelen van het ondernemerschap let de Belastingdienst op de duurzaamheid van de werkzaamheden, de omvang van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van risico, het aantal opdrachtgevers en de beschikbare tijd. In deze zaak ging het om een gepensioneerde militair, die startte met een advies- en incassobedrijf. De omzet was de eerste jaren € 1.280 (2005), € 2.640 (2006), € 10.726 (2007), € 14.710 (2008) en € 7.099 (2009). In 2006 besteedde hij echter maar 1.416,5 uren (waarvan 235,5 directe uren) aan zijn werkzaamheden. De inspecteur vond dat de man wel een bron van inkomen had, maar geen winst uit onderneming genoot. De militair was het hier niet mee eens en ging naar de rechter.

Compenseren met andere factoren

Het gerechtshof in Den Bosch gaf aan dat de omzet en het aantal uren erg gering waren voor winst uit onderneming. Uiteindelijk komt de zaak bij de Hoge Raad. Die stelde dat een lage omzet en een laag aantal directe uren niet in de weg hoeven te staan voor het ondernemerschap. De ondernemer moest dit dan wel compenseren met andere factoren, zoals de omvang van de activiteiten. In deze zaak besteedde de ondernemer wel veel uren aan acquisitie. Volgens het gerechtshof was dit echter niet voldoende om van een onderneming te spreken. De Hoge Raad kon zich hier in vinden..
Hoge Raad, 4 mei 2012, LJN: BV0662