Dga heeft loon nooit ontvangen, maar wel 'genoten'

Een directeur-grootaandeelhouder (dga) hoort van zijn eigen bv een salaris te krijgen. Als de onderneming krap bij kas zit en dat loon niet kan uitbetalen, kan het tóch zijn dat de dga dit loon heeft 'genoten'. En dat de dga dus belasting moet betalen over loon dat hij nooit heeft gehad, zo heeft het gerechtshof in Den Haag bepaald.

11 november 2019 | Door redactie

Een dga is naast directeur van zijn eigen onderneming óók werknemer van diezelfde onderneming. Om te voorkomen dat dga’s met hun bv afspreken dat ze slecht een schijntje aan loon hoeven te hebben om zo belasting te besparen, is er het gebruikelijk loon (infographic). Die schrijft voor dat dga’s minimaal een loon van € 45.000 horen te krijgen, tenzij ze kunnen aantonen dat een lager loon ‘gebruikelijk’ is voor hun functie.

Salaris in loonaangifte nooit uitbetaald

Over wat dan precies gebruikelijk is wordt ook geregeld gesteggeld in de rechtszaal. Maar in deze zaak ging het over de wettelijke regels voor wanneer het loon ‘genoten’ is. Daarvoor hoeft het salaris namelijk niet per se op een rekening gestort te zijn. Ook op het moment dat het loon, zoals dat heet, ‘vorderbaar en inbaar’ is geworden, is het loon genoten. En is de ontvanger er dus belasting over verschuldigd.
In dit geval ging het om een bv die in 2016 een loonaangifte indiende, met daarin voor de dga dik € 19.000 aan loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en bijna € 13.000 aan pensioen (loon uit vroegere dienstbetrekking). Maar doordat de onderneming in financieel zwaar weer zat waren die bedragen nooit betaald. De dga zelf hield het daarom in zijn aangifte inkomstenbelasting bij een inkomen uit werk en woning van ruim € 12.600. De inspecteur ging daar niet mee akkoord en telde de genoemde bedragen bij het inkomen. Daar rolde dus een aanslag uit voor een inkomen van ruim € 44.600.

Dga kon loon verrekenen met rekening-courant

Het gerechtshof moest beoordelen of het loon ‘vorderbaar en inbaar’ was, ondanks dat het nooit was uitbetaald. Vorderbaar was het, omdat het nu eenmaal onderdeel was van het met de bv overeengekomen loon en pensioen. En volgens het hof was het geld ook inbaar, omdat de dga het had kunnen verrekenen met de rekening-courant die hij met de bv had.
De dga vroeg het hof ook om rekening te houden met de ‘moeilijke financiële omstandigheden’ waar hij en zijn echtgenote in zaten sinds de bv in 2017 failliet ging. Het hof had wel begrip voor die situatie, maar kon dat niet laten meewegen in de beoordeling. De wet laat geen ruimte om een aanslag te verminderen vanwege moeilijke omstandigheden of vanwege coulance, legde het hof uit. De aanslag bleef dus in stand.
Gerechtshof Den Haag, 22 oktober 2019, ECLI (verkort): 2781