Afwijken van rekenrente stamrecht-bv is er niet bij

De wet schrijft een vaste rekenrente voor bij de waardering van een stamrecht. Een verschil tussen die rente en de geldende rente in de markt kan leiden tot een belastingdomper voor de houder van het stamrecht. Maar afwijken van die wettelijke rekenrente is niet de bedoeling, oordeelt de rechtbank.

17 juni 2019 | Door redactie

In deze zaak ging het om een man die een ontslagvergoeding van ruim € 268.000 had opgestreken. Dat geld was gestort in een stamrecht-bv, waar hij de directeur-grootaandeelhouder (dga) van werd. Door het oprichten van een stamrecht-bv wordt de belastingheffing over de ontslagvergoeding uitgesteld. De houder hoeft namelijk pas inkomstenbelasting te gaan betalen als het geld uitgekeerd wordt. De stamrecht-bv zou vanaf 2021 per jaar een uitkering van € 20.600 gaan betalen aan de dga. Sinds 2014 is het overigens niet meer mogelijk om een stamrecht-bv op te richten.

Rekenrente van 4% voor stamrecht

Voor de aangifte vennootschapsbelasting (VPB) moest de bv de stamrechtverplichting waarderen. Daarvoor gebruikte de bv een rekenrente van 3%. Maar de inspecteur vond dat dit 4% moest zijn. De dga kwam uit op een waardering van het stamrecht van bijna € 274.000. De inspecteur rekende dus met 4%, waardoor de stamrecht-bv in principe minder geld in kas hoefde te hebben om in de toekomst dezelfde jaarlijkse uitkering te doen. De inspecteur kwam daardoor op een waardering van circa € 230.000. Een lagere waardering lijkt op het eerste gezicht misschien gunstig. Maar in zo’n geval wordt het verschil tussen de omvang van het stamrecht en de waardering aangemerkt als winst. En dus moet er VPB over betaald worden.

Afrekenen over winst die niet gemaakt is

De dga ging daarom in beroep bij de rechtbank tegen de rekenrente van de inspecteur. Hij vond het namelijk vreemd dat er op deze manier een winst werd gefabriceerd die de bv nooit had gemaakt. Er werd dus belasting geheven over een niet-bestaande winst. De in de wet voorgeschreven rekenrente van 4% zou daarom niet moeten gelden. De gangbare rente in de markt was destijds 3%, daarom had de dga dat percentage gebruikt. De inspecteur stelde juist dat de 4% een wettelijk voorschrift was waar niet van af te wijken viel.

Systeem valt binnen beoordelingsvrijheid wetgever

De rechtbank volgde de lijn van de inspecteur. Een rekenrente van 4% is nu eenmaal verplicht voor dit soort waarderingen. En het klopte dat er op die manier een winst ontstond die niet gemaakt was. Maar de wetgever heeft doelbewust gekozen voor dit systeem, aldus de rechtbank. Daarmee zijn de waarderingsregels volgens goed koopmansgebruik (tool) buiten werking gesteld. Dit alles valt binnen de ‘ruime beoordelingsvrijheid’ van de wetgever. De inspecteur had dus al met al terecht met 4% rente gerekend.
Rechtbank Gelderland, 5 juni 2019, ECLI (verkort): 2471