Inkomen boven armoedegrens, dan box 3-heffing betalen

Het gerechtshof in Amsterdam heeft aangegeven dat de box 3-heffing over 2017 geen buitensporige en onevenredig zware last is als de belastingplichtige met zijn netto-inkomen ruim boven de armoedegrens blijft. De belastingplichtige moest de heffing dus gewoon aftikken.

5 oktober 2020 | Door redactie

Een vrouw en een man waren allebei in beroep gegaan tegen hun aanslagen inkomstenbelasting over 2017. Zij vonden dat de box 3-heffing voor hen een buitensporige en onevenredig zware last was. De vrouw had hierbij een inkomen uit werk en woning van € 24.146 en moest € 596 aan box 3-heffing afdragen. Het inkomen van de man was € 37.180 en hij moest € 3.588 aan box 3-heffing aftikken. Het gerechtshof gaf aan dat de vrouw en de man met hun beider netto-inkomens ruim boven de armoedegrens bleven. Ze waren daarnaast ook in het bezit van een aanzienlijk vermogen. De rechter vond daarom dat de heffing geen buitensporige last voor hen was.

Niet harder getroffen dan anderen

Het was  voor hen beide wel zo dat de box 3-heffing hoger was dan de genoten inkomsten uit vermogen. Voor de vrouw was de box 3-heffing zelfs 30% hoger. Dat was volgens het hof echter geen reden om tot een ander oordeel te komen. Ook werden ze niet harder getroffen door de box 3-heffing dan andere belastingplichtigen. Het hof  verklaarde daarom het beroep ongegrond.
Hof Amsterdam, 22 september 2020 (gepubliceerd 30 september 2020), ECLI (verkort): 2540, 2541