Zure belastingrekening voor gedupeerde onderneemster

Een onderneemster is op een harde manier in aanraking gekomen met de onbuigzaamheid van de Nederlandse fiscale regels. Hoewel zij door nare omstandigheden met haar ex-partner niet over haar volledige bedrijfswinst kon beschikken, moet zij toch over de hele winst belasting betalen.

8 december 2020 | Door redactie

In deze zaak ging het om een onderneemster die als zzp’er projecten deed voor gemeentelijke instellingen. In 2017 deed zij aangifte tegen haar ex-partner, die zich een deel van haar bedrijfswinst had toegeëigend. De ex-partner werd ook veroordeeld voor onder meer mishandeling en afpersing.

Navorderingsaanslagen na boekenonderzoek

De ex-partner zette op facturen van de eenmanszaak verschillende rekeningnummers. Maar slechts één rekeningnummer was bekend bij de externe adviseur die de aangifte deed voor de onderneemster. Daardoor bleef een deel van de bedrijfswinst buiten het zicht van de externe adviseur.
De onderneemster meldde daarop bij de Belastingdienst dat de aanslagen over 2014 en 2015 mogelijk naar een te laag bedrag waren vastgesteld. De inspecteur deed boekenonderzoek en concludeerde dat de bedrijfswinst inderdaad (veel) hoger moest zijn. Daarom legde hij navorderingsaanslagen voor de inkomstenbelasting op.
De onderneemster ging in bezwaar en later in beroep (tool) bij de rechtbank tegen deze aanslagen. Zij voerde daarbij aan dat de ex-partner een deel van het inkomen had genoten als mede-gerechtigde. Ook zou de onderneming een vordering hebben op de ex-partner vanwege de toe-eigening. En omdat die vordering niets waard was, zou de onderneming een verlies mogen nemen.

Fiscale regels laten rechtbank geen ruimte

Maar de rechter oordeelde anders. De ex-partner was geen mede-gerechtigde, alleen de onderneemster ‘was onbeperkt gerechtigd tot de resultaten van de onderneming’. Daardoor was de volledige winst, ook de niet-aangegeven omzet, ‘fiscaal gezien’ door de onderneemster genoten. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de vordering op de ex-partner een vordering in de privésfeer was, en niet van de onderneming. De rechtbank kwam daarom tot de conclusie dat de navorderingsaanslagen correct waren opgelegd.
De rechtbank ging aan het slot van het vonnis nog wel in op de hardheid van dat oordeel. De onderneemster wilde schoon schip maken, maar werd nu ook belast voor inkomen dat zij nooit had gekregen. Hoewel dat ‘onverteerbaar moet zijn’, lieten de regels de rechtbank geen ruimte. ‘De omstandigheid dat belanghebbende niet feitelijk heeft beschikt over het inkomen kan op basis van de fiscale regels geen reden zijn om het inkomen niet te belasten’, aldus het vonnis. 
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 november 2020 (publicatiedatum 3 december 2020), ECLI (verkort): 5409

Bijlagen bij dit bericht