Ook bij minimale bezetting moet een bhv’er aanwezig zijn

Door de coronacrisis zijn er momenteel nog maar weinig werknemers aanwezig op de werkvloer. Maar ook al is de bezetting minimaal, voor de werknemers die er wél zijn, moet er een bhv’er beschikbaar zijn. Het is de taak van de arboprofessional om dit te regelen.

3 april 2020 | Door redactie

De aanwezigheid van een bedrijfshulpverlener (bhv’er) kan bij een ongeval of calamiteit het verschil maken tussen leven en dood. bhv’ers verlenen eerste hulp en wijzen bijvoorbeeld bij een brand de andere werknemers van een organisatie waar ze heen moeten. Als er geen bhv’er aanwezig is, lopen andere werknemers dus meer risico dan anders. Ook in deze periode van minimale bezetting op kantoor moeten er toch voldoende bhv’ers zijn voor het personeel dat wél aanwezig is. Dit is het moment om te controleren of dat ook het geval is.

Aantal staat niet in wet

Iedere organisatie moet er volgens de Arbowet voor zorgen dat er altijd minimaal één bhv’er beschikbaar is. Het precieze aantal bhv’ers dat in een organisatie aanwezig moet zijn, staat overigens niet in de wet. Dat is namelijk afhankelijk van de risico’s en moet dus worden vastgelegd in de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E, tool). Het is nu dan ook belangrijk om goed te inventariseren wie er bhv’er zijn en hoe geregeld kan worden dat er altijd een aanwezig is op de werkvloer.

Werkgever moet meedenken

Een soort vakantie- en verlofrooster opstellen, kan al helpen. Wijs de werkgever erop als blijkt dat de bhv-bezetting niet in orde is. Hij kan de bhv’ers een aanwezigheidsschema laten maken. Mochten zij er onderling niet uitkomen of vallen er toch gaten in de bezetting, dan moet dit ook onder de aandacht van de werkgever gebracht worden. De werkgever moet dan meedenken over een oplossing.

Bijlagen bij dit bericht