Verzet tegen ontstaan fiscale eenheid BTW is tevergeefs

Bij de vraag of ondernemingen een fiscale eenheid voor de BTW vormen is er weinig te kiezen. Zodra er genoeg 'verwevenheid' is tussen ondernemingen mag de inspecteur hen aanmerken als fiscale eenheid, bevestigt de rechtbank in Arnhem.

13 oktober 2020 | Door redactie

Groepen ondernemingen kunnen onder meer een fiscale eenheid vormen voor de BTW of voor de vennootschapsbelasting (VPB). De Belastingdienst ziet de ondernemingen dan samen als één belastingplichtige. Ondernemingen in de fiscale eenheid voor de BTW kunnen dan bijvoorbeeld onderling zonder BTW handelen. Nadeel is dat ondernemers binnen de eenheid voor de BTW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor belastingschulden van die eenheid. 

Verwevenheid bepaalt ontstaan fiscale eenheid

Om een fiscale eenheid voor de VPB te worden moeten ondernemingen zelf een verzoek indienen bij de fiscus. Bij de BTW werkt dat anders. Zodra aan de voorwaarden voldaan is, ontstaat er automatisch (‘van rechtswege’) een fiscale eenheid voor de BTW. Voorwaarden zijn dat het in principe BTW-plichtige ondernemingen moeten zijn, en dat zij in Nederland gevestigd zijn. Daarnaast moeten de ondernemingen op 3 gebieden verweven zijn: op financieel, organisatorisch en economisch vlak.
Ondernemingen kunnen het ontstaan van een fiscale eenheid voor de BTW laten bevestigen bij de inspecteur (tool). Die geeft dan een beschikking af, met bijbehorend BTW-nummer. Dat hoeft overigens niet. De ondernemingen kunnen ook zonder beschikking als eenheid functioneren, maar dan moeten zij bijvoorbeeld nog steeds apart aangifte doen.

Inspecteur kan zelf ook beschikking afgeven

Andersom kan de inspecteur ook zélf een beschikking afgeven als hij vindt dat er een fiscale eenheid is ontstaan. Dat was in deze zaak gebeurd. Het ging om een beheer-bv die een vergunning had om kansspelautomaten uit te baten. De bv had ook automaten en 2 panden in eigendom. Die werden ter beschikking gesteld aan 2 werk-bv’s. De inspecteur vond dat de 3 ondernemingen verweven waren en merkte hen aan als fiscale eenheid voor de BTW. De beheer-bv betoogde juist dat er sprake was van 3 losse ondernemingen.
Maar de rechter liep de voorwaarden voor verwevenheid na en ging daar niet in mee. Zo hield de beheer-bv 100% van de aandelen in beide werk-bv’s en was de leiding van de 3 ondernemingen in handen van dezelfde persoon. Economische verwevenheid was er ook, onder meer omdat de werk-bv’s gebruikmaakten van de vergunning en speelautomaten van de beheer-bv. De ondernemingen waren dus terecht als fiscale eenheid aangemerkt.
Rechtbank Gelderland, 22 september 2020, ECLI (verkort): 4910