Welke waarborgen moet een klokkenluidersregeling hebben?

Publicatiedatum 26 juli 2019

Onze OR heeft een instemmingsaanvraag ontvangen over een klokkenluidersregeling. Welke waarborgen moet zo’n regeling hebben? Is het juist dat de melder zich met een vermoeden van een misstand eerst tot de bestuurder moet richten?

Uw OR heeft een instemmingsaanvraag ontvangen over een klokkenluidersregeling (artikel 27, lid 1l WOR) ofwel een procedure voor het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand binnen uw organisatie. De bestuurder bij wie in de regel ten minste vijftig personen werkzaam zijn, moet hier een procedure voor vaststellen.

In procedure verwijzen naar WHvk

U vraagt ook of het correct is dat uw bestuurder in de regeling opneemt dat de melder zich met een vermoeden van een misstand eerst richt tot de bestuurder. Ook vraagt u welke waarborgen de procedure zou moeten bevatten. Op zich is het juist om in de procedure op te nemen dat een melder zich met een vermoeden van een misstand als eerste tot de bestuurder richt. Het Huis voor Klokkenluiders is ingesteld om een melding te ontvangen en hier onderzoek naar te doen als uw bestuurder onvoldoende actie onderneemt nadat hij een melding heeft ontvangen. Wat de waarborgen betreft, volstaat het om in de procedure te verwijzen naar de Wet Huis voor klokkenluiders (WHvk). Deze wet bepaalt dat de werknemers rechtsbescherming hebben bij het melden van een vermoeden van een misstand (artikel 2, lid 3b WHvk).

Formulering in regeling

De formulering in de procedure kan dan als volgt luiden: ‘Voor de melder van een misstand is de rechtsbescherming van toepassing zoals opgenomen in de Wet Huis voor klokkenluiders’. Deze formulering is van toepassing op beide gevallen: als de werknemer een interne melding doet aan de bestuurder, maar ook als de werknemer een externe melding doet bij het Huis voor Klokkenluiders.