Plek feitelijke leiding bepaalt vestigingsplaats

Voor het vaststellen van de vestigingsplaats van een rechtspersoon is de plek waar de feitelijke leiding zich bevindt en van waaruit beleid wordt uitgeoefend bepalend. Dit heeft de rechter onlangs maar weer eens bevestigd.

4 november 2019 | Door redactie

Hoofdregel is dat de woonplaats van natuurlijke personen en de vestigingsplaats van lichamen wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden (het zogenoemde domiciliebeginsel). Bij een natuurlijk persoon is van belang waar hij of zij het middelpunt heeft van zijn of haar persoonlijke belangen. Denk daarbij aan de woonplaats van het gezin, de plaats van de dienstbetrekking, het al dan niet aanhouden van een woning enzovoort. Voor lichamen is dit een stuk minder eenvoudig vast te stellen. Uit jurisprudentie op dit gebied is op te maken dat als doorslaggevende omstandigheid kan worden aangemerkt de plaats waar het lichaam zijn feitelijke leiding heeft. De formele vestigingsplaats is daarbij niet van belang.

Plaats afhankelijk van diverse omstandigheden

Als regel geldt dat de plaats van feitelijke leiding de plaats is waar het orgaan, belast met de leiding van het lichaam (normaal gesproken het bestuur), feitelijk is gevestigd. Dit kan dus een andere plaats zijn dan de plaats waar de activiteiten van het lichaam plaatsvinden. De plaats waar de feitelijke leiding is gevestigd is afhankelijk van diverse omstandigheden. Denk daarbij aan de plaats waar het bestuur woont en vergadert, de plaats waar de administratie wordt bijgehouden en de jaarrekening wordt opgemaakt, de valuta waarin de financiële gegevens worden bijgehouden en het oprichtingsrecht van het lichaam. De regel van de feitelijke leiding is onlangs weer eens bevestigd door een rechter.

Feitelijk toezicht in Nederland

Het ging in deze zaak om een naar het recht van de Nederlandse Antillen en daar statutair gevestigde stichting die vermogen beheerde en uitkeringen deed aan door de Raad van Toezicht aangewezen personen. Deze stichting schonk in 2008 een groot bedrag aan een man en schelde een renteloze lening kwijt. De man kreeg  van de fiscus een aanslag recht van schenking (tool) opgelegd. Hij was het daar niet mee eens omdat het bestuur van de stichting een op Curaçao gevestigde trustmaatschappij was en dus was Nederland niet bevoegd om te heffen. De inspecteur vond echter dat deze trustmaatschappij alleen maar administratieve werkzaamheden verrichtte. Het bestuur van het trustkantoor kon ook worden ontslagen door de Raad van Toezicht. De in Nederland gevestigde adviseur, lid van de Raad van Toezicht, was degene die feitelijk toezicht hield volgens de inspecteur. Hof Arnhem-Leeuwarden vond dat de inspecteur met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden voldoende had bewezen dat de feitelijke vestigingsplaats van de stichting in Nederland lag. De aanslag bleef dus in stand.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2019, ECLI (verkort): 8482