Zwijgende ondernemer zit toch niet vast aan contract

Ondanks alle kritiek op telefonische acquisitie wordt deze verkoopvorm nog steeds succesvol ingezet. Toch moeten ondernemingen na een telefonisch gesprek niet zonder meer ervanuit gaan dat er een overeenkomst met de wederpartij tot stand is gekomen. Dat blijkt uit een recent gepubliceerde uitspraak van Gerechtshof Amsterdam.

16 maart 2020 | Door redactie

Mensen vinden ongevraagde telefonische acquisitie bloedirritant, maar het is (nog) niet verboden. Als een consument tijdens zo’n telefoongesprek — meestal zonder het door te hebben — akkoord gaat met een aanbod, kan hij daar nog vanaf komen. Hij moet dan wel binnen de bedenktermijn reageren. Niets doen is niet zo verstandig. Maar in deze zaak werkte het juist in het voordeel van de bestuurder van een bv, dat hij na het telefoongesprek niets van zich liet horen.

Transcriptie van telefonisch gesprek als bewijs

In deze zaak werd de bestuurder van een bv ongevraagd telefonisch benaderd door een energieleverancier. Omdat de bv niet op de correspondentie reageerde en de betaling van (voorschot)facturen uitbleef, besloot de energieleverancier naar de rechter te stappen. De bv zou in totaal € 74.859,07 plus rente en boete voor de voortijdige beëindiging van het contract verschuldigd zijn voor geleverde energie. In geschil was of er een rechtsgeldige overeenkomst tot stand was gekomen. Volgens de energieleverancier bleek uit het telefoongesprek en uit de correspondentie die daarna volgde dat er een rechtsgeldige overeenkomst was gesloten. De rechter ging daar niet in mee en wees de vordering af.

Geen afspraak zonder concreet voorstel

Noch uit de transcriptie van het telefoongesprek, noch uit de correspondentie was af te leiden dat de bestuurder met iets zou hebben ingestemd. Tijdens het gesprek werd er geen concreet aanbod gedaan. Essentiële zaken zoals prijs en looptijd waren op dat moment nog onbekend. Bovendien zei de bestuurder tijdens het gesprek dat hij er helemaal niets van begreep, en dat de energieleverancier hem wat mocht opsturen, zodat hij naar de prijzen kon kijken. Zijn vraag aan het slot van het gesprek ‘zit ik dan nog ergens qua prijs aan verbonden of zo?’ wees er ook op dat hij zich nog niet wilde binden. Een afspraak met een nog onbekend voorstel, was duidelijk niet in het belang van de bv. De energieleverancier moest dit redelijkerwijze ook begrijpen en mocht dus niet zonder meer aannemen dat de bestuurder een dergelijke afspraak wilde maken.

Spreken is zilver, zwijgen is goud

Door het uitblijven van een reactie op zijn correspondentie mocht de energieleverancier ook niet concluderen dat een overeenkomst met de bv tot stand was gekomen. Integendeel, hij moest begrijpen dat de bestuurder slechts bij een concurrerend aanbod eventueel in een overstap zou zijn geïnteresseerd. Van een concurrerend aanbod was echter geen sprake.
Gerechtshof Amsterdam, 11 februari 2020, ECLI (verkort): 376