Crisisheffing omzeilen blijft lastig

Per 1 januari 2015 is de crisisheffing of pseudo-eindheffing hoog loon afgeschaft. De discussie duurt echter nog steeds voort, omdat er veel bezwaren zijn ingediend tegen de in 2013 en 2014 gevorderde heffing. Uit een recent gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Den Haag blijkt dat u niet snel aannemelijk kunt maken dat er sprake is van een buitensporige heffing. Daardoor ontkomt u dus niet snel aan de crisisheffing.

12 februari 2015 | Door redactie

In het bericht In 2015 crisisheffing definitief van de baan kon u al lezen dat de crisisheffing per 1 januari 2015 is afgeschaft. De crisisheffing op hoge inkomens was in 2012 door de Nederlandse regering geïntroduceerd omdat er extra inkomsten voor de schatkist nodig waren. De regeling hield in dat u in 2013 en 2014 extra belasting moest betalen over het deel van het loon dat uitging boven de € 150.000. Maar nog steeds vinden er rechtszaken plaats omdat ondernemingen vinden dat ze ten onrechte deze heffing hebben afgedragen.

Bv vond crisisheffing buitensporig

Het ging in deze zaak om een bv (een dochtervennootschap) die voor de vennootschapsbelasting en de BTW een fiscale eenheid vormde met de moedervennootschap. De totale fiscale eenheid had in 2012 te maken met een crisisheffing van € 1.166.515. De bv vond dat deze heffing veel te hoog was en stapte naar de rechter. Bij de rechter voerde de bv aan dat de wet geen bepaling bevatte op basis waarvan de fiscus de crisisheffing kon opleggen. Bovendien was de bv van mening dat zij geen rekening kon houden met de heffing op het moment waarop zij het loon uitkeerde. Daarnaast was de heffing volgens de bv in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verder vond de bv de heffing buitensporig, omdat deze hoger was dan het resultaat dat in de periode van 2010 tot en met 2012 was behaald.

Heffing niet in strijd met de wet 

Rechtbank Den Haag moest zich buigen over de vraag of de crisisheffing in strijd was met de wet en artikel 1 EP. De rechter oordeelde dat dit niet het geval was. Hierbij verwees hij naar het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2014 waarin was geoordeeld dat artikel 1 EP zich niet zonder meer verzet tegen wetswijzigingen die bij het berekenen van de belastingschuld tot uitdrukking komen. De rechter vond dat de bv aannemelijk moest maken dat de heffing buitensporig was. Hier slaagde de bv niet in. De bv had namelijk geen stukken over het jaar 2013 overlegd. De crisisheffing bedroeg bovendien slechts 0,29% van de totale directe commerciële kosten uit 2012. De rechter vond dan ook dat er geen sprake was van een individuele buitensporige last. Het eigen vermogen van de fiscale eenheid was eind 2012 zelfs € 252.566.035. De totale crisisheffing van € 1.166.515 was dus niet buitensporig.
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2014, ECLI (verkort) 14211