Vergelijken gaat boven afromen bij dga-loon

De zogenoemde vergelijkingsmethode is het uitgangspunt voor het bepalen van het gebruikelijk loon van een directeur-grootaandeelhouder (dga). Alleen als die met geen mogelijkheid toegepast kan worden, mag de inspecteur kiezen voor de afroommethode.

8 maart 2017 | Door redactie

Dat bevestigt de rechtbank in Breda in een zaak van een dga die bezwaar maakte tegen de berekening van zijn gebruikelijk loon. De Belastingdienst gaat er voor de loonheffingen namelijk van uit dat de dga een loon krijgt dat ‘gebruikelijk’ is voor de aard van zijn werk.

Afroommethode op zijn retour

Aanvankelijk gebruikte de Belastingdienst regelmatig de zogeheten afroommethode (tool) voor het bepalen van het gebruikelijk loon. Dat is een vrij overzichtelijke methode: de fiscus neemt de omzet van de bv en haalde daar onder meer kosten, afschrijvingen en een winstopslag vanaf. Het bedrag dat overbleef was het gebruikelijk loon. Deze methode stond niet in de wet, maar kwam uit de koker van de Hoge Raad.
Inmiddels heeft het rechtscollege zelf weer paal en perk gesteld aan het gebruik van de methode. In een arrest van vorig jaar stelde de Hoge Raad dat de afroommethode niet gebruikt mag worden als er een loon bekend is van een werknemer met een ‘soortgelijke dienstbetrekking’. Zeker nu in de wet verankerd is (tool) dat voor het gebruikelijk loon gekeken moet worden naar een werknemer met de ‘meest vergelijkbare dienstbetrekking’ (de zogeheten vergelijkingsmethode) is zo’n werknemer bijna altijd te vinden.

Inspecteur had meer onderzoek moeten doen

In de zaak bij de rechtbank in Breda had de inspecteur de afroommethode gebruikt om het gebruikelijk loon te bepalen. Maar de rechter stelt met een verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad dat de vergelijkingsmethode het uitgangspunt moet zijn. De inspecteur had dus moeten onderzoeken of er een werknemer was met een vergelijkbare dienstbetrekking om het gebruikelijk loon te bepalen, in plaats van meteen voor de afroommethode te kiezen. Omdat de inspecteur geen onderzoek had gedaan, vernietigde de rechter de navordering voor de inkomstenbelasting.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 februari 2017, ECLI (verkort): 863