Geen landelijke code ongewenste omgangsvormen

Staatssecretaris Van Ark van SZW ziet onvoldoende aanleiding en draagvlak voor een landelijke gedragscode ongewenste omgangsvormen voor organisaties in Nederland. Wel wil zij werkgevers en werknemers handvatten bieden over hoe zij een gedragscode kunnen opstellen. Dit schrijft Van Ark in een Kamerbrief.

23 april 2019 | Door redactie

In het nog te ontwikkelen stappenplan voor het opstellen van een gedragscode ongewenste omgangsvormen moet volgens staatssecretaris Van Ark aandacht zijn voor de rol die werknemers en hun vertegenwoordigers hierin kunnen spelen. Naast het stappenplan vindt de staatssecretaris een checklist met elementen voor de inhoud van een gedragscode nuttig, en praktijkvoorbeelden over hoe organisaties de gedragscode levend kunnen houden. Van Ark trekt deze conclusies in een begeleidende Kamerbrief (pdf) bij het onderzoek “Omgaan met ongewenste omgangsvormen. Toegevoegde waarde van een gedragscode”.

Gedragscode moet aansluiten op de praktijk

In het onderzoek stond de vraag centraal naar in hoeverre een gedragscode ongewenste omgangsvormen een bijdrage kan leveren aan het voorkomen (en bestrijden) van ongewenst gedrag op de werkvloer. Aan het onderzoek werkten 400 organisaties mee. De meerderheid van deze organisaties (56%) ziet geen toegevoegde waarde in een landelijke gedragscode. Voordelen die zij noemen zijn, dat een landelijke code inspiratie kan bieden en tot meer uniformiteit kan leiden. Als belangrijk nadeel zien zij echter dat organisaties een landelijke gedragscode ongewijzigd kopiëren, waardoor de code niet aansluit op de praktijk. Een wettelijke verplichting om een gedragscode ongewenste omgangsvormen op te stellen, zal er volgens ondervraagden toe leiden dat werkgevers zich op papier conformeren maar er in de praktijk weinig invulling aan geven.

Goede gedragscode maakt huisregels concreet

De onderzoekers beschrijven een praktijkvoorbeeld waarin werknemers actief hebben meegedacht over gedragsregels. Voorbeeld van gedragsregels waren, dat er op de werkvloer niet wordt gepest en er geen andere vormen van ongewenst gedrag is. Deze regels spraken de werknemers niet aan, omdat ze te abstract waren geformuleerd. Een team van werknemers, leidinggevenden en HR-werknemers maakte de huisregels concreet, met herkenbare praktijksituaties. Zo luidde een huisregel dat werknemers geen bijnamen gebruiken. Werknemers noemden een collega weleens ‘amateur’ als iemand iets niet goed deed. Voor velen voelt dat als een grapje, maar nieuwe medewerkers kunnen hier heel onzeker van worden.
Na de invoering van de concreet gemaakte gedragscode ervaren de werknemers minder pestgedrag en het management grijpt sneller in wanneer ongewenst gedrag wordt gesignaleerd. Ook spreken werknemers elkaar gemakkelijker aan op hun gedrag.

Werkgever moet beleid voeren tegen ongewenst gedrag

De werkgever moet beleid voeren tegen ongewenst gedrag op de werkvloer zoals agressie en geweld, pesten, (seksuele) intimidatie en discriminatie (artikel 3, lid 2 Arbowet). Ongewenst gedrag op de werkvloer valt onder psychosociale (PSA). PSA kan leiden tot stress, ziekte en uitval. De werkgever moet ongewenst gedrag als arbeidsrisico opnemen in de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Door een gedragscode op te stellen kan de werkgever het beleid tegen ongewenst gedrag in de organisatie onder de aandacht brengen. Een andere manier om ongewenst gedrag tegen te gaan, is het aanstellen van een vertrouwenspersoon.