Normrente personeelslening bedraagt in 2014 4%

Wil uw onderneming een geldbedrag aan een werknemer lenen om hem financieel uit de brand te helpen, dan moet u daar een bepaalde rente over heffen. Doet u dat niet, dan moet u het rentevoordeel tot het loon van de werknemer rekenen.

13 december 2013 | Door redactie

Als een werknemer een geldlening van uw onderneming krijgt, heeft hij daar voordeel van. Hij hoeft immers geen lening af te sluiten bij een bank, waar hij hoogstwaarschijnlijk een veel hogere rente had moeten betalen. Het rentevoordeel dat de werknemer geniet door zijn lening bij uw onderneming, moet u dan wel bij zijn loon tellen en normaal belasten. Maar hoe bepaalt u hoe groot dit voordeel is?

Normrente van 4% onder het oude regime

Onder de oude regels voor vergoedingen en verstrekkingen hanteert de Belastingdienst een normrente om het belaste rentevoordeel te berekenen. Die normrente stijgt per 2014 naar 4%. Nu is hij nog 3%. Hanteert uw onderneming de werkkostenregeling, dan moet u om het belaste rentevoordeel te berekenen niet uitgaan van een normrente, maar van een marktconform rentepercentage. Dit bepaalt u door de rente van verschillende banken te vergelijken en hiervan het gemiddelde te nemen.
Het rentevoordeel dat de werknemer heeft, berekent u door het geleende bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de normrente of marktrente en de rente die u werkelijk aan de werknemer in rekening heeft gebracht.

Lening kan vaak onbelast voor woning of fiets

In sommige gevallen kan het rentevoordeel van de personeelslening onbelast blijven (oude regime) of op nihil gewaardeerd worden (werkkostenregeling). Daarvan is onder voorwaarden sprake als de werknemer de lening gebruikt voor aanschaf of onderhoud van zijn eigen woning. Ook een lening voor de aanschaf van een (elektrische) fiets kan onbelast blijven. Bij het oude regime geldt hiervoor wel een maximumbedrag van € 749.