Voorzichtig omgaan met ontslag op staande voet

Werkgevers doen er verstandig aan om onder de Wet werk en zekerheid (WWZ) terughoudend om te gaan met ontslag op staande voet. Maakt een werkgever te snel gebruik van deze mogelijkheid, dan loopt hij het risico dat hij naast een gefixeerde schadevergoeding ook een transitievergoeding en een billijke vergoeding moet betalen.

5 april 2016 | Door redactie

Ook onder de WWZ is het nog steeds mogelijk om een werknemer op staande voet te ontslaan. De voorwaarden hiervoor zijn grotendeels hetzelfde gebleven. De werkgever moet een dringende reden (tool) hebben voor het ontslag en hij moet het ontslag onverwijld (binnen een zeer korte periode) aan de werknemer mededelen. Wat wel veranderd is, is dat een werknemer een verzoek tot vernietiging van het ontslag nu binnen twee maanden na het ontslag op staande voet direct moet indienen bij de kantonrechter. Voorheen had een werknemer nog zes maanden de tijd om het ontslag op staande voet te vernietigen. Hij kon dit doen door een brief naar de werkgever te sturen. In die brief gaf hij dan aan dat hij het niet eens was met het ontslag.

Drie vergoedingen bij ontslag op staande voet

Als blijkt dat de werkgever het ontslag op staande voet onterecht heeft gegeven, kan de werknemer aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding. Deze vergoeding is in principe gelijk aan het loon dat de werknemer zou hebben gekregen als de opzegtermijn wel in acht was genomen. Daarnaast ontvangt de werknemer (na twee jaar dienstverband) de transitievergoeding en kent de rechter meestal ook een billijke vergoeding toe, omdat hij het onterechte ontslag ziet als ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Ook voor de WWZ was het al oppassen geblazen met een ontslag op staande voet, maar sinds de WWZ kan een werkgever die hier lichtvaardig mee omgaat dus met nog hogere kosten te maken krijgen.