Vrijwilligersvergoeding elk jaar uitbetalen!

Als uw organisatie met vrijwilligers werkt, is het van belang dat de werkgever hun vergoeding per tijdvak en jaar uitbetaalt. Doet hij dat niet en betaalt hij ze na een tijdje in één keer uit, dan krijgt hij mogelijk een naheffingsaanslag op de mat.

9 februari 2017 | Door redactie

Het is belangrijk dat werkgevers die vrijwilligersvergoedingen betalen, dat doen op de juiste manier. Uit een recente zaak bij de rechtbank in Breda blijkt dat dat zowel voor de vrijwilliger als voor de werkgever een hoop geld kan schelen. De maximale onbelaste vergoeding per jaar bedraagt namelijk € 1.500. Betaalt uw organisatie meer, dan is de vergoeding belast loon voor de vrijwilliger, die dan werknemer is.

Te hoge vergoeding is belast loon

In deze zaak betaalde een gemeente een vergoeding aan de leden van een adviesraad. Eén van de leden kreeg in 2013 een bedrag van € 1.534. Daarvan was € 1.298 voor bijeenkomsten in 2013 en € 236 nog voor bijeenkomsten in 2012. Doordat het uitbetaalde bedrag in 2013 hoger was dan de grens van € 1.500, was de vergoeding niet meer onbelast, maar belast loon. Het bedrag dat de vrijwilliger per kalenderjaar kreeg, was dus doorslaggevend en niet de datum van de bijeenkomsten waarvoor hij de vergoeding ontving.

Nog meer maxima

Als uw organisatie met vrijwilligers werkt, moet u met meer regels rekening houden dan alleen de € 1.500 per kalenderjaar. Er gelden namelijk nog meer maxima:

  • € 4,50 per uur voor vrijwilligers van 23 jaar en ouder;
  • € 2,50 per uur voor vrijwilligers onder de 23 jaar;
  • € 150 per maand ongeacht de leeftijd van de vrijwilliger.

Al deze eisen gelden naast elkaar. Uw organisatie mag dus geen € 4,50 per uur betalen aan iemand die 100 uur per maand vrijwilligerswerk doet en ook niet elke maand € 150 betalen, omdat hij dan per jaar boven de € 1.500 uitkomt. Het is dus van belang dat organisaties goed bijhouden hoeveel uren een vrijwilliger werkzaam is en wat voor vergoeding hij daarvoor krijgt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 31 augustus 2016, ECLI (verkort): 5419