Zieke werknemer heeft recht op volledig loon

Een arbeidsongeschikte werknemer die tijdens zijn ziekte 100% van zijn salaris betaald krijgt, kan er na verloop van tijd op vertrouwen dat die 100% als normaal geldt. Dit blijkt uit een uitspraak van Gerechtshof Den Bosch.

16 juli 2015 | Door redactie

Een werknemer was in 2013 voor enkele maanden ziek vanwege psychische klachten. Tijdens zijn ziekte kreeg hij 100% van zijn salaris doorbetaald. In 2014 meldde de werknemer zich opnieuw ziek. Hij liet zich vervolgens opnemen in een GGZ-kliniek. Ook tijdens deze ziekteperiode betaalde de werkgever het volledige salaris door. Na enkele maanden verliet de werknemer de kliniek, maar hij informeerde zijn werkgever hier niet over. Wel was de werknemer nog steeds volledig arbeidsongeschikt en onder behandeling van een psycholoog en psychiater. Toch ontving hij vanaf de daaropvolgende maand 70% van zijn loon, in plaats van 100%.

100% van het loon ondanks wettelijke en contractuele regels

In een kort geding lukte het de werknemer niet om zijn volledige loon te vorderen, maar in hoger beroep had hij wel succes. Het hof stelde vast dat de werkgever contractueel en wettelijk gezien slechts 70% van het loon hoefde te betalen tijdens de ziekte. Hier had hij echter niet voor gekozen: hij betaalde in de ziekteperiode van 2013 en in het eerste gedeelte van de ziekteperiode in 2014 100% van het loon. Toen hij in de loop van 2014 toch 70% wilde gaan betalen, mocht de werknemer er inmiddels op vertrouwen dat hij bij arbeidsongeschiktheid recht had op 100% loondoorbetaling.

Geen omstandigheden die een ander salaris rechtvaardigden

Volgens de werkgever had de werknemer ontwijkend gedrag en slecht werknemerschap vertoond na zijn opname, maar de werknemer bleef in die tijd volledig arbeidsongeschikt. Volgens het hof waren er ook geen andere feiten of omstandigheden die de situatie zo veranderden dat de werknemer niet langer op 100% loondoorbetaling mocht rekenen. Hij kreeg de vorderingen dan ook toegewezen. 
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 14 juli 2015, ECLI (verkort): 2626