Billijke vergoeding na benadeling vanwege zwangerschap

Een werkgever die niet aannemelijk kan maken dat het niet verlengen van een contract losstaat van de zwangerschap van een werkneemster, maakt verboden onderscheid op geslacht. In een recente zaak leidde dit tot de betaling van een hoge billijke vergoeding.

24 september 2021 | Door redactie

De zaak draaide om een werkneemster van een zorginstelling. Kort na indiensttreding raakte ze zwanger en meldde ze dit aan haar werkgever. Toen de einddatum van de arbeidsovereenkomst naderde, besloot de werkgever het contract niet te verlengen omdat de werkneemster te weinig beschikbaar was en vanwege het niet halen van de zogeheten min-uren. Ook was ze herhaaldelijk afwezig of te laat.

Werkgever hield zich niet aan zorgplicht

De werkneemster meende dat haar contract niet was verlengd vanwege haar zwangerschap en diende een klacht in bij de klachtencommissie van haar werkgever. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst niet verlengd was vanwege disfunctioneren en dat de werkneemster pas na de opzegging een verband trok tussen haar zwangerschap en haar disfunctioneren. Hoewel de klachtencommissie meende dat de communicatie van de werkneemster over haar zwangerschap tekortschoot, oordeelde zij wel dat de werkgever zich niet aan zijn zorgplicht had gehouden en onvoldoende rekening had gehouden met de zwangerschap. De commissie verklaarde de klacht gegrond.

Opzegverbod wegens zwangerschap

Omdat er vanwege haar zwangerschap een opzegverbod (tool) zou gelden, stapte de werkneemster naar de rechter. Ook meende ze dat de opzegging onregelmatig was; in de arbeidsovereenkomst stond dat het contract alleen van rechtswege zou eindigen met voorafgaande opzegging, die volgens haar nooit gedaan was. De kantonrechter gaf haar geen gelijk. Hij oordeelde dat de bewoordingen in haar arbeidsovereenkomst niets anders dan een vergissing konden zijn en dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege was geëindigd. Ook oordeelde de kantonrechter dat het niet verlengen van het contract niets met haar zwangerschap te maken had.

Ernstig verwijtbaar handelen door verboden onderscheid

In het hoger beroep oordeelde het gerechtshof dat de voorafgaande opzegging wel degelijk vereist was en dat er een opzegverbod gold. De werkgever kreeg de gelegenheid om aan te tonen dat zijn besluit rond het einde van de arbeidsovereenkomst niets met de zwangerschap te maken had. Hiervoor riep de werkgever drie werknemers op als getuigen.
De rechter oordeelde uiteindelijk dat de werkgever het niet aannemelijk had gemaakt dat onvoldoende beschikbaarheid, het niet halen van de min-uren en een aantal incidenten de redenen waren voor de contractbeëindiging. De rechter kon de beëindiging niet los zien van de zwangerschap, waardoor de werkgever een verboden onderscheid had gemaakt op grond van geslacht en ernstig verwijtbaar had gehandeld. De werkgever werd veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding van € 40.000.
Gerechtshof Den Haag, 31 augustus 2021, ECLI (verkort): 1638