Slapende dienstverbanden soms wel toegestaan

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat de werkgever niet tegen de zin van een werknemer een slapend dienstverband in stand mag houden. Er zijn echter bepaalde uitzonderingssituaties waarin dit wel toegestaan is.

15 november 2019 | Door redactie

Vorige week heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over het beëindigen van slapende dienstverbanden. Een ‘slapend dienstverband’ houdt in dat de werkgever de werknemer na 2 jaar arbeidsongeschiktheid niet ontslaat maar in dienst houdt om geen transitievergoeding uit te hoeven betalen. Dit mag nu niet meer: de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de werkgever in beginsel verplicht is om een slapend dienstverband te beëindigen op verzoek van de langdurig arbeidsongeschikte werknemer, onder betaling van een vergoeding die gelijk is aan de transitievergoeding bij ontslag na twee jaar arbeidsongeschiktheid. De Hoge Raad baseert zijn uitspraak op de Wet compensatieregeling transitievergoeding. Deze wet regelt dat werkgevers vanaf 1 april 2020 van UWV compensatie kunnen ontvangen voor de (transitie)vergoeding die zij op of na 1 juli 2015 hebben betaald aan langdurig arbeidsongeschikte werknemers.

Transitievergoeding niet verplicht in uitzonderingssituaties

Zoals gezegd moet de werkgever in principe op verzoek van de werknemer het slapend dienstverband beëindigen en een vergoeding uitbetalen. Een uitzondering is mogelijk als de werkgever kan bewijzen dat hij een gerechtvaardigd belang bij de instandhouding van de arbeidsovereenkomst heeft. Het enige voorbeeld dat de Hoge Raad noemt van een dergelijk belang is als er nog reële re-integratiemogelijkheden zijn voor de werknemer.
De Hoge Raad stelt expliciet dat de werkgever géén uitzondering mag maken voor een werknemer die bijna de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. De werkgever die de arbeidsovereenkomst opzegt omdat de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd (tool) heeft bereikt, hoeft namelijk geen transitievergoeding te betalen. De werkgever mag het ontslag van de langdurig arbeidsongeschikte werknemer dus niet uitstellen totdat de werknemer AOW-gerechtigd is, om op die manier de transitievergoeding te ontlopen.

Schorsen of in termijnen betalen van de transitievergoeding mogelijk

De rechter kan wel beslissen dat de werkgever de vergoeding in termijnen mag uitbetalen of de betaling mag uitstellen tot 1 april 2020, de eerste datum waarop de werkgever de compensatie kan aanvragen. De werkgever moet dan aannemelijk maken dat de voorfinanciering van de vergoeding tot ernstige financiële problemen leidt. Vanaf 1 april 2020 geldt echter dat de werkgever alleen een aanvraag voor compensatie kan indienen als hij de vergoeding al heeft uitbetaald aan de werknemer. Dit verplicht de werkgevers altijd tot voorfinanciering.
Hoge Raad, 8 november 2019, ECLI (verkort): 1734